Geen pardon voor de eekhoorn

Zondag 24 februari 2019 sprak ik in het radioprogramma Vroege Vogels de volgende column uit: [hij is hier ook terug te luisteren]

Amerikaanse Rode Eekhoorn Bureau Stadsnatuur 29 januari 2019 (1)

Amerikaanse rode eekhoorn in het Kralingse Bos. (Garry Bakker)

Nog steeds ben ik een beetje opgewonden van het goede natuurnieuws van de laatste tijd. Ga maar na: al het insectenleven is niet binnen een eeuw van de aardbol verdwenen; op het Galapagoseiland Fernandina heeft de lokale reuzenschildpad (Chelonoidis phantastica) zich 113 jaar voor de mensheid verborgen weten te houden en is dus niet uitgestorven (er leeft welgeteld nog één vrouwtje); in Indonesië is de eveneens uitgestorven gewaande Molukse reuzenbehangersbij (Megachile pluto), herontdekt, en -tadaa! – in Rotterdam is in het Kralingse Bos na een afwezigheid van dik 20 jaar plotseling een eekhoorn opgedoken. 
                  Van dat laatste dierennieuwtje ging mijn hart echt sneller kloppen. Ik ben als Rotterdammer namelijk opgegroeid met en gevormd door het dierenleven van dat stadspark. Ik zocht en vond er kramsvogels, koperwieken, kuifmezen en kruisbekken, en onder de zoogdieren was de rode eekhoorn mijn favoriet. Ze aten er pinda’s uit je hand. Het voeren van die eekhoorntjes is voor vele Rotterdammers een onvergetelijke ervaring geweest. 
                  Mijn enthousiasme over de terugkeer van de eekhoorn was van korte duur. Ecologen van Bureau Stadsnatuur, die het Rotterdamse dierenleven nauwgezet in kaart brengen, kregen hem scherp in beeld en concludeerden dat het een Amerikaanse rode eekhoorn was – Tamiasciurus hudsonicus, een exoot die moedwillig in het bos moet zijn losgelaten.
                  De geschiedenis had zich herhaald, maar dan met de foute soort. Twee jaar nadat ‘de Kralingerhout’ in 1953 officieel werd geopend zaten er al rode eekhoorns, terwijl het natuurlijke verspreidingsgebied van die soort zich ook toen al beperkte tot de bosrijke zandgronden en de Hollandse duinstreek. Iemand moet gedacht hebben ‘wat is een bos zonder eekhoorns’ en heeft er vervolgens een kooitje met die knaagdieren opengezet. Na een kleine halve eeuw is die populatie vermoedelijk door inteelt uitgestorven, op een plaats waar ze eigenlijk niet thuishoorden. Zo gaat dat in de natuur.
                  En nu zorgt die exotische eekhoorn voor discussie. Geholpen door de aaibaarheid van het knaagdier zijn er Rotterdammers die fel pleiten voor een ‘eekhoornpardon’, anderen zijn voor de wettelijke gedwongen uitzetting. Hoewel ik zelf niet in het anti-exoten kamp zit, zeg ik wel ‘weg met die eekhoorn!’. Niet omdat hij het ecosysteem van het bos zal verstoren, maar simpelweg omdat het een beestje uit de dierenwinkel is die daar moedwillig is losgelaten. Het kost de planten- en dierenwereld al genoeg moeite om in evenwicht te komen met invasieve exoten die zonder directe hulp van mensen de boel verstoren. Door deze eekhoorn op een voetstuk te plaatsen, stimuleer je anderen om ook kooitjes met wat voor soort gedierte dan ook open te zetten. Dat mag niet en dat doe je niet, met geen enkel dier.

Advertisements

Google-vogelen

Zondag 9 december 2018 sprak ik in het radioprogramma Vroege Vogels de volgende column uit: [hij is hier ook terug te luisteren]

Bijna hand in hand met het verschijnen van de vuistdikke Vogelatlas, kwamen Sovon Vogelonderzoek Nederland en het Centraal Bureau voor de Statistiek afgelopen vrijdag ook met een loodzware boodschap: ‘Stadse broedvogels zijn als groep sinds 1990 met meer dan de helft achteruitgegaan.’ Het gaat om twintig soorten die langdurig en nauwkeurig geteld zijn, uiteenlopend van zwarte roodstaart tot houtduif. Geen van die soorten doet het in de stad beter dan in het buitengebied. Alleen met de huiszwaluw gaat het goed, karakteristieke huis-tuin-en-keuken soorten als spreeuw, huismus en gierzwaluw zijn in aantal afgenomen. De kuifleeuwerik is zelfs compleet verdwenen.

Dat is zorgwekkend nieuws, niet alleen voor vogels maar ook voor mensen. Steden worden groter, er wonen steeds meer mensen, en juist met de echte mensenvrienden onder de vogels gaat het slecht. Ik heb het hier vaker geroepen: het is de hoogste tijd dat we steden niet alleen behandelen als leefgebied voor mensen, maar ook voor planten en dieren.

Zeker ook omdat de wilde natuur onder druk staat. Biologen ontdekten dat in Braziliaanse bossen waar mobiel telefoonbereik is, beduidend minder zoogdiersoorten voorkomen dan in bossen waar de smartphone geen bereik heeft. Toen ze daarna de wereldwijde verspreiding van dik 23 miljoen GSM-zendmasten in kaart brachten, bleek dat mooi samen te vallen met gebieden waar de Human Footprint – zeg maar de mate waarin wij onze planeet vertrappen – maximaal is.

kraai_googleU kunt dus zelf bepalen, met uw mobiele telefoon, hoe het met natuur en milieu is gesteld. Prima bij minder dan één streepje bereik, belabberd als u kunt u bellen en verbinding met internet heeft. Heeft u optimaal bereik, dan heeft dat wel als voordeel dat u kunt meedoen aan de allernieuwste trend op het gebied van natuurgenot. Ik heb het over vogels kijken op Google Street View – de tot gigantische proporties uitgegroeide verzameling panoramafoto’s die je via het computerprogramma Google Maps in alle hoeken en gaten kunt bekijken. Je hebt er niet alleen onbeperkte toegang tot straten en pleinen, maar ook bergtoppen, bospaden, rivierbeddingen en woestijnen op alle continenten. En vogels zijn natuurlijk overal. Ze zijn ongemerkt vereeuwigd op paaltjes, elektriciteitsdraden, voedertafels, boomtakken en in de lucht.

De meeste vogels die Street View Birders zien zijn meeuwen, reigers en stadsduiven, maar er zijn ook waarnemingen van condors in de Andes, een kolibrie in Alaska, een zeldzame rode tiran op een Galapagos-eiland en pinguïns op Antarctica. Een groeiende club van momenteel 750 waarnemers heeft al 580 vogelsoorten afgetikt, dat is ongeveer vijf procent van alle vogelsoorten die onze planeet rijk is. Probeer het maar eens. Het bespaart u lange vliegreizen, 7 euro vliegtaks, benzine en vermindert uw eigen ecologische voetafdruk. Zoek vooral in steden en doe het snel. Wanneer Google de straatbeelden ververst, zullen er minder vogels te zien zijn.

Nuttige bronnen zijn aanklikbaar in de tekst

Groen heeft de toekomst

Op zaterdag 29 september 2018 mocht ik in Rotterdam met een column de conferentie ‘Groen van de toekomst‘ aftrappen. Voordat ik begon, heb ik onderstaand filmpje laten zien:

 

Daarna sprak ik de column uit:

Dit is de zogenaamde ‘leader’ van de televisieserie ‘Rotterdammers in het Groen‘ die  RTV-Rijnmond vanaf 22 september 2018 wekelijks uitzendt. Mijn rol is die van presentator, hoewel ‘presenteren’ een groot woord is – ik fiets door de stad, praat met ‘Rotterdammers in het Groen’ en af en toe roep ik wat. Wat ik zeg in dit filmpje, klopt. Ik ben eigenlijk altijd met dieren bezig, met dode dieren in het Natuurhistorisch Museum waar ik werk, of als ik buiten ben, met het rijke dierenleven in het Rotterdamse groen. Mensen in het groen heb ik eigenlijk altijd als hinderlijk ervaren. Ze jagen de vogels weg, vertrappen de planten, zagen bomen om, maaien het gras. En nu wilde Rijnmond juist mij mensen in de stadsnatuur laten bestuderen. Ze zochten een antwoord op de vraag ‘Wat doen ze er, waar en waarom?’.

Uiteindelijk heb ik het met veel plezier gedaan, vijf afleveringen – ‘Het stadspark’, ‘De singel’, ‘De stadstuin’, ‘De productietuin’ en ‘De volkstuin’. Kilometers gemaakt op een vouwfiets, van IJsselmonde tot in Overschie en van Schoonoord tot de Spoortuin. Ik moet toegeven dat mijn blik regelmatig afdwaalde af naar een tikkende specht of een jagende sperwer, maar toch kreeg ik de smaak te pakken, op mijn zoektocht naar mensen in parken en tuinen, op daken en langs singels.

Ik ben op groene plekken geweest die zelfs ik nog niet kende. Hippe dakakkers, verborgen stadstuintjes, braakliggende terreinen, volkstuinen, zelfs een verlaten treinspoor dat als onderdeel van ‘de Groene Connectie’ nu door een heuse stadsjungle voert. Met overal enthousiaste mensen die er van genieten en er letterlijk zelf wat van maken.

Ik heb ontdekt hoe Rotterdammers parken, tuinen en singels op verschillende manieren omarmen als een natuurlijk verlengstuk van hun leefgebied. Stadsnatuur is echt onmisbaar, voor iedereen!

Dat besef hebben we nog niet zo lang. Ik beweeg mij al een halve eeuw door het Rotterdamse groen. Heb de eekhoorns van het Kralingse Bos nog gekend. Heb de eerste Nijlgans zien komen, en ken de stad nog zonder aalscholvers en halsbandparkieten. Met mijn verrekijker had ik er tot een jaar of tien geleden bijna het rijk alleen. Hoe komt het dat de Rotterdammer openbaar groen terecht steeds meer als zijn natuurlijke habitat beschouwt en benut?

Dat heeft te maken met het besef dat natuur goed voor je is – je voelt je er fijn. Er is inmiddels een dikke stapel wetenschappelijk onderzoek die bewijst dat stadsmensen die een flinke portie buurtnatuur tot zich kunnen nemen, geestelijk en lichamelijk gezonder zijn dan mensen die dat moeten missen. Ziektecijfers zijn aanmerkelijk lager in groenere woongebieden. Lagere niveaus van depressie, angst en stress blijken geassocieerd met het aantal vogels dat mensen in hun omgeving kunnen zien. Het horen van vogelzang doet daar nog een schepje bovenop: het is rustgevender dan het geluid van kabbelend water en het zachtjes tikken van regen. Zelfs het voeren van vogels levert een heilzame klik tussen mens en natuur. Patiënten die in het ziekenhuis uitkijken op groen, genezen sneller dan zieken die uitzicht hebben op een blinde muur.

Na vijf weken filmen in de Rotterdamse stadsnatuur heb ik gezien hoe bestaande parken en andere groenvoorzieningen steeds intensiever gebruikt worden. Ik heb buurtbewoners letterlijk stadsnatuur zien maken, de BBQ-rookwolken boven het Vroesenpark zien opstijgen, en ben door een vrolijk dansend festivalpubliek op de schouders genomen. Ook heb ik kritische geluiden gehoord over wat wel en niet kan in een park. Waar ligt die grens?

De draagkracht van een park verschilt natuurlijk wezenlijk van die van een asfaltvlakte. De grens die gesteld moet worden, moet mensen de kans geven van het stadsgroen te genieten zonder uit het oog te verliezen dat juist het planten- en dierenleven de aantrekkelijkheid van parken bepaalt. Ik ken de veerkracht van de stadsnatuur en ben er van overtuigd dat ook uitzinnige festivalgangers liefhebbers zijn van het Rotterdamse groen. De grens van wat wel en niet kan, is een delicaat evenwicht tussen mens en natuur.

Natuurbesef is hierbij van groot belang, en biodiversiteit het toverwoord. Het toepassen van ecologische kennis in de stedelijke omgeving komt niet alleen plant en dier maar juist ook stadsmensen ten goede. Daar zou bij het groenbeheer vol op ingezet moeten worden. Benut braakliggende terreinen, maak groene verbindingen (ook met het buitengebied), maai bewust en met mate, geef insecten een kans, betrek burgers bij aanleg en onderhoud, en garandeer dat parken niet opgeofferd worden voor woningbouw of wegenaanleg.

Met het gestaag groeiende aantal mensen dat in een stedelijke omgeving leeft – nu al ruim 50 procent en in 2050 zeker 70 procent van de wereldbevolking – is het belang van stadsnatuur groter dan ooit.

Deze conferentie heet ‘Groen van de toekomst’. Ik zeg ‘Groen heeft de toekomst’.

.

Het meerkoetprotocol

Zondag 11 juni 2017 sprak ik in het radioprogramma Vroege Vogels de volgende column uit: [hij is hier ook terug te luisteren]

009 BVDW meerkoet2webHet blijft een boeiend fenomeen in de stadsnatuur: meerkoeten die nesten bouwen op fonteinen. Ze leggen eieren terwijl het water keihard op ze neerklettert. Het lukt ze soms zelfs om eieren in de gebruikelijke drie weken uit te broeden. Het vrouwtje is onverstoorbaar en wijkt niet van het nest, het mannetje brengt weggespoelde takken terug. De broeddriftige watervogels kunnen tegen een stootje. Toch is het nestelen op spuitende fonteinen gedoemd tot mislukken. Wanneer de meerkoetkuikentjes hun eerste vier levensdagen hulpeloos in het nest blijven, zijn ze zeer kwetsbaar.

Het heeft met strikte nestplaatskeuze te maken. Meerkoeten broeden niet op de kant zoals eenden, maar bijna altijd veilig boven het water. Daar hebben ze houvast nodig voor het nest. In steriele stadsingels, grachten en vaarten waar rietkragen ontbreken, zijn stevig verankerde fonteinkoppen ideaal om nesten op te bouwen – tot ze gaan spuiten.

Mensen kunnen dat dierenleed niet aanzien en dringen er bij de gemeentelijke diensten op aan om de fonteinen uit te zetten. Gaan ze uit – lang leve de meerkoet – dan stuit dat ook weer op verzet, want spuitende fonteinen zijn er immers ook om het water fris en zuurstofrijk te houden, waar de vissen en uiteindelijk ook de meerkoeten weer profijt van hebben.

In Rotterdam, dat een aantal notoire fonteinmeerkoeten kent, heeft de Partij voor de Dieren deze week in de gemeenteraad aangedrongen op een ‘meerkoetprotocol’. Dat zou een mooie zijn, in navolging van de landelijke walvis- en wolvenprotocollen. Wethouder Joost Eerdmans, belast met dierenwelzijn, weigert. De aanblik van een broedende meerkoet op een werkende fontein in de Rotte ontlokte hem de uitspraak “Als ik het dier zo zag, leek ze het best naar haar zin te hebben.” Daarover kan natuurlijk zelfs een wethouder niet gefundeerd oordelen, want we weten simpelweg niet of een wild dier het naar de zin heeft. Wij oordelen naar onze menselijke maatstaven en weten slechts een ding zeker over de meerkoet: hij is waterdicht. Toch kan ik Eerdmans volgen, in zijn afwijzing van een meerkoetprotocol.

De stakkers die het nestelen op fonteinen blijven proberen, kunnen we evolutionair beter afschrijven en de kapotte eieren en dode kuikentjes beschouwen als natuurlijke sterfte. De stad kent immers net als sloot en plas in het buitengebied gevaren en valkuilen, maar dan andere. Wel kunnen wij als makers van stadsnatuur meerkoeten alternatieven bieden. Hier is een welgemeend advies aan de wethouder.

Om de vijftig meter een simpel drijvend vlondertje doet wonderen. Als dat niet lukt, vormen winkelwagentjes een prima alternatief. Op zijn kop in het water zijn supermarktkarretjes onweerstaanbaar voor meerkoeten. Beter nog is het veranderen van beschoeide hoge waterkanten in glooiende, natuurlijke oevers. Drassige slootkanten, met riet en moerasplanten waar meerkoeten in kunnen nestelen, hebben als bijkomend voordeel dat we eindelijk ook van die suffe eendentrapjes af zijn.

Meerkoet (Fulica atra)

Meerkoet, broedend op een winkelwagentje; Museumpark, Rotterdam. (foto Sander Elzerman)

 

Groeneveldprijs 2017!

Op 19 mei 2017 ontvingen Jelle Reumer en ik de Groeneveldprijs, in Kasteel Groeneveld. Deze prijs wordt sinds het jaar 2000 uitgereikt aan een persoon of organisatie die zich bijzonder heeft ingezet voor het debat over natuur en landschap in Nederland.

Dat is natuurlijk een grote eer, zeker ook gezien de namen en de wapenfeiten van de laureaten die ons voorgingen: Geert Mak (2000), Koos van Zomeren (2001), Helen Mayer Harrison & Newton Harrison (2002), Matthijs Schouten (2003), Jared Diamond (2004), Willem Overmars (2005), Frans van der Hoff (2006), Benny Jolink (2007), Louise Fresco (2008), Auke van der Woud (2009), Willem van Toorn (2010), John Berger (2011), Tracy Metz (2012), de Groene redactie van dagblad Trouw (2013/2014), Wouter Helmer (2015) en Digna Sinke (2016).

Op de oorkonde die Wim van Helden (voorzitter van de stichting Groeneveld) overhandigde, staat te lezen waarom we met deze prijs werden beloond.

[De stichting Groeneveld reikt met bijzonder veel genoegen de Groeneveldprijs 2017 uit aan Kees Moeliker]:

die door zijn lichtvoetige aanpak van ogenschijnlijk triviale details betreffende de stedelijke natuur ons anders leert kijken in de stad.

Op de oorkonde van Jelle Reumer staat hetzelfde. We kregen de prijs voor onze publicaties over natuur in de stad en voor de tentoonstellingen en activiteiten over stadsnatuur in het Natuurhistorisch Museum Rotterdam. Het persbericht dat Stichting Groeneveld op 19 april 2017 verspreidde, verwoordt het als volgt:

De sprankelende presentatie van wetenswaardigheden over de natuur, in het bijzonder de stedelijke natuur is het eigenzinnige waarmerk geworden van beide laureaten en van Het Natuurhistorisch. Op speelse wijze plaatst het Natuurhistorisch Museum Rotterdam ogenschijnlijk triviale details uit de natuur in een ruimer maatschappelijk en natuurlijk perspectief. De nadrukkelijk open communicatie met de lokale instellingen van onderwijs en wetenschap is een al even kenmerkende karakteristiek van beide laureaten. Ook in hun publicitaire activiteiten zijn Reumer en Moeliker opmerkelijk actief en gericht op een stedelijk, nationaal en internationaal publiek.

GroeneveldPrijs_2017

Jelle Reumer (links) en Kees Moeliker met de Groeneveldprijs 2017.

Na de officiële uitreiking volgde de Groeneveldlezing 2017 waarbij Jelle Reumer de natuur in Nederland kenschetste als ‘zombienatuur’ en stelde ‘voor biodiversiteit  moet je de eeuwige raaigrasvelden en de letterlijk onoverzienbare maisakkers achter je laten en de stadspoort binnentreden.’ Ik kon daar mooi op aansluiten met een bloemlezing over een aantal ‘ogenschijnlijk triviale details betreffende de stedelijke natuur’. Deze lezingen zullen te zijner tijd in druk verschijnen.

Raamzwaan

Mijn rubriek ‘Beest’ op de Achterpagina van NRC Handelsblad (in 2012 gebundeld in ‘De bilnaad van de teek‘) verschijnt tweewekelijks op dinsdag. Vandaag staat Beest #166 in de krant. Omdat ik er een verduidelijkend filmpje bij heb, publiceer ik het stukje bij uitzondering nu ook hier, met het filmpje.

166_beest_raamzwaan

De stad biedt de vogelwereld veel goeds. Diversiteit aan groen, aanwezigheid van allerlei natte milieus, gebouwen (nestgelegenheid), de iets hogere temperatuur en veel voedsel (menselijk afval) zorgen er voor dat opvallend veel soorten de stad als leefgebied hebben. Zij nemen kennelijk een aantal ongemakken voor lief: de alom aanwezige huiskatten die menig vogel verschalken, en glazen gebouwen die ongekende aantallen raamslachtoffers maken. Met een beetje doorrekenen op basis van de analyse van 92.869 dodelijke vogelaanvaringen met glas, kwam men onlangs (The Condor 116: 8-23) alleen al voor de Verenigde Staten op een jaarlijkse sterfte van 599 miljoen vogels door glazen gebouwen.

De invloed van glas op vogelgedrag is nog onderbelicht. Mij bereiken steeds meer berichten over vogels die zich schier oneindig bezighouden met het verdrijven van hun eigen spiegelbeeld dat reflecteert in ramen, autolak, zijspiegels en bushokjes. Dit zijn altijd mannetjes die hun territorium en/of kroost verdedigen tegen indringers. Langs de Oudedijk in Rotterdam observeerde ik afgelopen weekend een knobbelzwaan (Cygnus olor) die tenminste de hele middag met zijn snavel tegen dezelfde ruit stond te tikken, terwijl zijn vrouw en nageslacht onbekommerd op een paar meter afstand op een grasveldje lagen te slapen.

Onderstaand filmpje maakte ik met mijn iPhone op zaterdag 31 mei 2014, rond 15.30 uur, op de Oudedijk ter hoogte van de Jericholaan, in Rotterdam-Kralingen.

Botsende stadsnatuur

Zondag 1 juni 2014 sprak ik een column uit in het radio 1 programma Vroege Vogels. Het was een bijzondere uitzending vanuit het Natuurhistorisch Museum Rotterdam, in het kader van de IABR 2014 – Urban by Nature – en de expo Pure Veerkracht.  Dit is de uitgeschreven tekst van de column: [beluisteren kan hier]

meerkoet_op_fontein_Westersingel_RotterdamDe stad is ook natuur. Dit motto geven we in het Natuurhistorisch Museum mee aan de nieuwe tentoonstelling ‘Pure Veerkracht’. Die titel verwijst naar de ongekende aanpassingen die dieren en planten laten zien wanneer ze zich in de stad vestigen. Neem de stadsduif die nog maar een paar eeuwen geleden als rotsduif in het hooggebergte nestelde en nu onze bouwwerken bevolkt alsof het kliffen zijn. Of de scholekster die het wad voor de stad omruilt en steeds meer op platte grinddaken broedt. Ze schakelen qua voedsel om van schelpdieren naar wormen en insectenlarven die ze vinden in kort gemaaide grasvelden waar de stad rijk aan is.

Dit is natuurlijk razend slim en veerkrachtig, maar we zien de natuur en de stad ook keihard botsen, en andersom. Neem diezelfde scholeksters. Daar waar ze op daken broeden die aan ramen grenzen, houden ze urenlange schijngevechten met hun spiegelbeeld. Ze knallen tegen de ruiten en houden daarmee complete kantoorverdiepingen van het werk. De vogels zelf komen niet aan broedzorg toe.

Ook het knobbelzwaanpaar dat hier in Rotterdam in de wijk Blijdorp langs een singel broedde, botste – letterlijk. Het mannetje joeg niet alleen honden en wandelaars weg bij het nest, maar viel ook geparkeerde auto’s aan, omdat hij zichzelf als indringer zag in het spiegelende koetswerk. Resultaat: zowel zwaan als buurtbewoners opgefokt en lakschade aan talloze auto’s. De arme watervogel botste later nog harder met de stad: hij vloog tegen een stoplicht, overleed en leidt nu hier (in Het Natuurhistorisch) een tweede leven als ‘de autozwaan’.

Dan zijn er nog de meerkoeten, waarmee het ook goed gaat in de stad. Bijna elke Rotterdamse singel telt meerdere nesten, gemaakt van takken en drijfvuil. Ze hebben voedsel genoeg en het aantal nesten lijkt gereguleerd te worden door de aanwezigheid van een vlondertje, het wrak van een supermarktkarretje of iets anders dat het nest in het water houvast biedt. In steeds meer singels en plassen gebruiken ze nu ook fonteinkoppen om hun nesten op te verankeren. Het zijn prachtplekken, tot de fonteinen gaan spuiten. Dan klettert het water met grote kracht op het takkenbouwsel neer. Meestal blijven de stakkers onverstoorbaar broeden. Terwijl de ene koet op het nest het water trotseert, brengt de andere weggespoeld nestmateriaal terug. Buurtbewoners die dit meerkoetenleed niet kunnen aanzien vragen Gemeentewerken om clementie. De fontein stopt met spuiten. “En de vissen dan?” roept een andere stadsnatuurliefhebber “die hebben toch zuurstof nodig?” Ook daar botst de stadsnatuur.

//