Het meerkoetprotocol

Zondag 11 juni 2017 sprak ik in het radioprogramma Vroege Vogels de volgende column uit: [hij is hier ook terug te luisteren]

009 BVDW meerkoet2webHet blijft een boeiend fenomeen in de stadsnatuur: meerkoeten die nesten bouwen op fonteinen. Ze leggen eieren terwijl het water keihard op ze neerklettert. Het lukt ze soms zelfs om eieren in de gebruikelijke drie weken uit te broeden. Het vrouwtje is onverstoorbaar en wijkt niet van het nest, het mannetje brengt weggespoelde takken terug. De broeddriftige watervogels kunnen tegen een stootje. Toch is het nestelen op spuitende fonteinen gedoemd tot mislukken. Wanneer de meerkoetkuikentjes hun eerste vier levensdagen hulpeloos in het nest blijven, zijn ze zeer kwetsbaar.

Het heeft met strikte nestplaatskeuze te maken. Meerkoeten broeden niet op de kant zoals eenden, maar bijna altijd veilig boven het water. Daar hebben ze houvast nodig voor het nest. In steriele stadsingels, grachten en vaarten waar rietkragen ontbreken, zijn stevig verankerde fonteinkoppen ideaal om nesten op te bouwen – tot ze gaan spuiten.

Mensen kunnen dat dierenleed niet aanzien en dringen er bij de gemeentelijke diensten op aan om de fonteinen uit te zetten. Gaan ze uit – lang leve de meerkoet – dan stuit dat ook weer op verzet, want spuitende fonteinen zijn er immers ook om het water fris en zuurstofrijk te houden, waar de vissen en uiteindelijk ook de meerkoeten weer profijt van hebben.

In Rotterdam, dat een aantal notoire fonteinmeerkoeten kent, heeft de Partij voor de Dieren deze week in de gemeenteraad aangedrongen op een ‘meerkoetprotocol’. Dat zou een mooie zijn, in navolging van de landelijke walvis- en wolvenprotocollen. Wethouder Joost Eerdmans, belast met dierenwelzijn, weigert. De aanblik van een broedende meerkoet op een werkende fontein in de Rotte ontlokte hem de uitspraak “Als ik het dier zo zag, leek ze het best naar haar zin te hebben.” Daarover kan natuurlijk zelfs een wethouder niet gefundeerd oordelen, want we weten simpelweg niet of een wild dier het naar de zin heeft. Wij oordelen naar onze menselijke maatstaven en weten slechts een ding zeker over de meerkoet: hij is waterdicht. Toch kan ik Eerdmans volgen, in zijn afwijzing van een meerkoetprotocol.

De stakkers die het nestelen op fonteinen blijven proberen, kunnen we evolutionair beter afschrijven en de kapotte eieren en dode kuikentjes beschouwen als natuurlijke sterfte. De stad kent immers net als sloot en plas in het buitengebied gevaren en valkuilen, maar dan andere. Wel kunnen wij als makers van stadsnatuur meerkoeten alternatieven bieden. Hier is een welgemeend advies aan de wethouder.

Om de vijftig meter een simpel drijvend vlondertje doet wonderen. Als dat niet lukt, vormen winkelwagentjes een prima alternatief. Op zijn kop in het water zijn supermarktkarretjes onweerstaanbaar voor meerkoeten. Beter nog is het veranderen van beschoeide hoge waterkanten in glooiende, natuurlijke oevers. Drassige slootkanten, met riet en moerasplanten waar meerkoeten in kunnen nestelen, hebben als bijkomend voordeel dat we eindelijk ook van die suffe eendentrapjes af zijn.

Meerkoet (Fulica atra)

Meerkoet, broedend op een winkelwagentje; Museumpark, Rotterdam. (foto Sander Elzerman)

 

Groeneveldprijs 2017!

Op 19 mei 2017 ontvingen Jelle Reumer en ik de Groeneveldprijs, in Kasteel Groeneveld. Deze prijs wordt sinds het jaar 2000 uitgereikt aan een persoon of organisatie die zich bijzonder heeft ingezet voor het debat over natuur en landschap in Nederland.

Dat is natuurlijk een grote eer, zeker ook gezien de namen en de wapenfeiten van de laureaten die ons voorgingen: Geert Mak (2000), Koos van Zomeren (2001), Helen Mayer Harrison & Newton Harrison (2002), Matthijs Schouten (2003), Jared Diamond (2004), Willem Overmars (2005), Frans van der Hoff (2006), Benny Jolink (2007), Louise Fresco (2008), Auke van der Woud (2009), Willem van Toorn (2010), John Berger (2011), Tracy Metz (2012), de Groene redactie van dagblad Trouw (2013/2014), Wouter Helmer (2015) en Digna Sinke (2016).

Op de oorkonde die Wim van Helden (voorzitter van de stichting Groeneveld) overhandigde, staat te lezen waarom we met deze prijs werden beloond.

[De stichting Groeneveld reikt met bijzonder veel genoegen de Groeneveldprijs 2017 uit aan Kees Moeliker]:

die door zijn lichtvoetige aanpak van ogenschijnlijk triviale details betreffende de stedelijke natuur ons anders leert kijken in de stad.

Op de oorkonde van Jelle Reumer staat hetzelfde. We kregen de prijs voor onze publicaties over natuur in de stad en voor de tentoonstellingen en activiteiten over stadsnatuur in het Natuurhistorisch Museum Rotterdam. Het persbericht dat Stichting Groeneveld op 19 april 2017 verspreidde, verwoordt het als volgt:

De sprankelende presentatie van wetenswaardigheden over de natuur, in het bijzonder de stedelijke natuur is het eigenzinnige waarmerk geworden van beide laureaten en van Het Natuurhistorisch. Op speelse wijze plaatst het Natuurhistorisch Museum Rotterdam ogenschijnlijk triviale details uit de natuur in een ruimer maatschappelijk en natuurlijk perspectief. De nadrukkelijk open communicatie met de lokale instellingen van onderwijs en wetenschap is een al even kenmerkende karakteristiek van beide laureaten. Ook in hun publicitaire activiteiten zijn Reumer en Moeliker opmerkelijk actief en gericht op een stedelijk, nationaal en internationaal publiek.

GroeneveldPrijs_2017

Jelle Reumer (links) en Kees Moeliker met de Groeneveldprijs 2017.

Na de officiële uitreiking volgde de Groeneveldlezing 2017 waarbij Jelle Reumer de natuur in Nederland kenschetste als ‘zombienatuur’ en stelde ‘voor biodiversiteit  moet je de eeuwige raaigrasvelden en de letterlijk onoverzienbare maisakkers achter je laten en de stadspoort binnentreden.’ Ik kon daar mooi op aansluiten met een bloemlezing over een aantal ‘ogenschijnlijk triviale details betreffende de stedelijke natuur’. Deze lezingen zullen te zijner tijd in druk verschijnen.

Raamzwaan

Mijn rubriek ‘Beest’ op de Achterpagina van NRC Handelsblad (in 2012 gebundeld in ‘De bilnaad van de teek‘) verschijnt tweewekelijks op dinsdag. Vandaag staat Beest #166 in de krant. Omdat ik er een verduidelijkend filmpje bij heb, publiceer ik het stukje bij uitzondering nu ook hier, met het filmpje.

166_beest_raamzwaan

De stad biedt de vogelwereld veel goeds. Diversiteit aan groen, aanwezigheid van allerlei natte milieus, gebouwen (nestgelegenheid), de iets hogere temperatuur en veel voedsel (menselijk afval) zorgen er voor dat opvallend veel soorten de stad als leefgebied hebben. Zij nemen kennelijk een aantal ongemakken voor lief: de alom aanwezige huiskatten die menig vogel verschalken, en glazen gebouwen die ongekende aantallen raamslachtoffers maken. Met een beetje doorrekenen op basis van de analyse van 92.869 dodelijke vogelaanvaringen met glas, kwam men onlangs (The Condor 116: 8-23) alleen al voor de Verenigde Staten op een jaarlijkse sterfte van 599 miljoen vogels door glazen gebouwen.

De invloed van glas op vogelgedrag is nog onderbelicht. Mij bereiken steeds meer berichten over vogels die zich schier oneindig bezighouden met het verdrijven van hun eigen spiegelbeeld dat reflecteert in ramen, autolak, zijspiegels en bushokjes. Dit zijn altijd mannetjes die hun territorium en/of kroost verdedigen tegen indringers. Langs de Oudedijk in Rotterdam observeerde ik afgelopen weekend een knobbelzwaan (Cygnus olor) die tenminste de hele middag met zijn snavel tegen dezelfde ruit stond te tikken, terwijl zijn vrouw en nageslacht onbekommerd op een paar meter afstand op een grasveldje lagen te slapen.

Onderstaand filmpje maakte ik met mijn iPhone op zaterdag 31 mei 2014, rond 15.30 uur, op de Oudedijk ter hoogte van de Jericholaan, in Rotterdam-Kralingen.

Botsende stadsnatuur

Zondag 1 juni 2014 sprak ik een column uit in het radio 1 programma Vroege Vogels. Het was een bijzondere uitzending vanuit het Natuurhistorisch Museum Rotterdam, in het kader van de IABR 2014 – Urban by Nature – en de expo Pure Veerkracht.  Dit is de uitgeschreven tekst van de column: [beluisteren kan hier]

meerkoet_op_fontein_Westersingel_RotterdamDe stad is ook natuur. Dit motto geven we in het Natuurhistorisch Museum mee aan de nieuwe tentoonstelling ‘Pure Veerkracht’. Die titel verwijst naar de ongekende aanpassingen die dieren en planten laten zien wanneer ze zich in de stad vestigen. Neem de stadsduif die nog maar een paar eeuwen geleden als rotsduif in het hooggebergte nestelde en nu onze bouwwerken bevolkt alsof het kliffen zijn. Of de scholekster die het wad voor de stad omruilt en steeds meer op platte grinddaken broedt. Ze schakelen qua voedsel om van schelpdieren naar wormen en insectenlarven die ze vinden in kort gemaaide grasvelden waar de stad rijk aan is.

Dit is natuurlijk razend slim en veerkrachtig, maar we zien de natuur en de stad ook keihard botsen, en andersom. Neem diezelfde scholeksters. Daar waar ze op daken broeden die aan ramen grenzen, houden ze urenlange schijngevechten met hun spiegelbeeld. Ze knallen tegen de ruiten en houden daarmee complete kantoorverdiepingen van het werk. De vogels zelf komen niet aan broedzorg toe.

Ook het knobbelzwaanpaar dat hier in Rotterdam in de wijk Blijdorp langs een singel broedde, botste – letterlijk. Het mannetje joeg niet alleen honden en wandelaars weg bij het nest, maar viel ook geparkeerde auto’s aan, omdat hij zichzelf als indringer zag in het spiegelende koetswerk. Resultaat: zowel zwaan als buurtbewoners opgefokt en lakschade aan talloze auto’s. De arme watervogel botste later nog harder met de stad: hij vloog tegen een stoplicht, overleed en leidt nu hier (in Het Natuurhistorisch) een tweede leven als ‘de autozwaan’.

Dan zijn er nog de meerkoeten, waarmee het ook goed gaat in de stad. Bijna elke Rotterdamse singel telt meerdere nesten, gemaakt van takken en drijfvuil. Ze hebben voedsel genoeg en het aantal nesten lijkt gereguleerd te worden door de aanwezigheid van een vlondertje, het wrak van een supermarktkarretje of iets anders dat het nest in het water houvast biedt. In steeds meer singels en plassen gebruiken ze nu ook fonteinkoppen om hun nesten op te verankeren. Het zijn prachtplekken, tot de fonteinen gaan spuiten. Dan klettert het water met grote kracht op het takkenbouwsel neer. Meestal blijven de stakkers onverstoorbaar broeden. Terwijl de ene koet op het nest het water trotseert, brengt de andere weggespoeld nestmateriaal terug. Buurtbewoners die dit meerkoetenleed niet kunnen aanzien vragen Gemeentewerken om clementie. De fontein stopt met spuiten. “En de vissen dan?” roept een andere stadsnatuurliefhebber “die hebben toch zuurstof nodig?” Ook daar botst de stadsnatuur.

//

Natuurhistorie en stadsnatuur

In 2011 ben ik elke maand één keer ‘columnist van de week’ bij Vroege Vogels op radio 1. Zondag 11 september om 8.30 uur was de negende in de reeks ‘Uit de Koker van Kees’ te beluisteren. Het volledige programma werd uitgezonden vanuit het Natuurhitorisch Museum Rotterdam. Het was een thuiswedstrijd voor mij. Dit is de uitgeschreven tekst:

Nu ik vanuit Het Natuurhistorisch – al ruim 20 jaar mijn werkplek – deze column mag uitspreken, vertel ik u graag hoe wij hier in het museum de natuur verzamelen, bestuderen en in kaart brengen. Vroeger, ver voor mijn tijd, ging dat uitsluitend met vallen, netten en de luchtbuks. Mijn voorgangers lieten links en rechts wat vogels schieten, trokken planten uit de grond, gingen met het vlindernet naar buiten, pielden landslakjes uit boomschors en verrijkten zo de museumcollectie. Bijna alles wat we nu weten over de flora en fauna van Rotterdam vantoen, staat opgeprikt, opgezet, opgeplakt of opgepot in het museum. De collectie is een rijke bron van natuurinformatie uit de tijd dat waarneming.nl nog Science Fiction was.

Tegenwoordig zorgen de natuurbeschermingswetten ervoor dat het museum gerichter en vooral passiever verzamelt. Dat komt er meestal op neer dat ik wacht tot zich iets tegen het raam doodvliegt. Een ware cultuuromslag vond plaats in 1997 toen het museum samen met de Gemeente Rotterdam ‘bureau Stadsnatuur’ oprichtte. Het werd een heuse onderzoeksafdeling van het museum die de natuur van de Maasstad in kaart ging brengen voor stadsbewoners, bestuurders en later ook externe opdrachtgevers. Er werken jonge gedreven veldbiologen die, samen met de modder in hun profielzolen, een schat aan informatie over de stadsnatuur het museum binnen brengen. Eén nadeel: het zijn aaiers. Ze laten de beestjes die ze vangen weer los! Hoogtepunt was de ontdekking van eerste rivierrombout, een prachtige libel, die in 2003 na 100 jaar weer in Rotterdam gevangen werd. Het insect werd uitvoerig bevoeld, gefotografeerd en weer losgelaten! Onvergeeflijk voor de conservator die hem graag in de collectie had opgenomen.

Zonder gekheid: de hoeveelheid informatie die mijn gewaarde collega’s van bureau Stadsnatuur samen met een grote schare vrijwilligers verzamelen, is groot en waardevol. Rotterdam telt – om maar eens wat te noemen – 1090 soorten vlinders en motten, 159 soorten vliegen en muggen, 131 soorten mieren, wespen, hommels en bijen, 38 soorten libellen, 23 soorten sprinkhanen, 48 soorten vissen, 40 soorten zoogdieren, 335 soorten vogels, 11 soorten amfibieën en reptielen, 165 soorten mossen en 911 soorten wilde planten. Die hoge biodiversiteit (wees niet bang, ze zijn er niet allemaal tegelijk) dankt Rotterdam onder andere aan relatief veel en vooral grote parken en het havengebied met veel braakliggende terreinen.

De rijke Rotterdamse stadsnatuur is iets om te koesteren, maar verbeteren kan ook. Verbind groengebieden onderling, stop onmiddellijk met het voorturend maaien van die fijne onkruidveldjes en schaf de bloembakkennatuur af. En, alstublieft, laat weer gras in de Blunderput wortelen.

bronnen:

De Zwarte, Niels, 2010 – De hoogste tijd voor een Rotterdams ecologisch beleid – Straatgras 22(1): 17-18

De Zwarte, Niels, 2010 – De route naar een ecologisch beleid in Rotterdam – Straatgras 22(5): 104-106