Hij komt! ‘Der Entenmann’

Der Entenmann_Kees Moeliker_Edel Books_3D Cover_eingerücktEen interview in Der Spiegel van 29 april 2017 bracht mijn werk onder de aandacht van veel mensen in Duitsland. Hierdoor raakte de Hamburgse uitgever Edel Books  geïnteresseerd in mijn eerste boek ‘De eendenman‘. Via mijn Nederlandse uitgever Nieuw Amsterdam regelden ze de rechten voor de Duitse uitgave. De vertaling – een hoogstandje van Gerrit ten Bloemendal – werd gesubsidieerd door het Nederlands Letterenfonds. Het boek verschijnt 7 september 2018 onder de titel ‘Der Entenmann – Von Spatzenklöten, aussterbenden Filzläusen und nekrophilen Enten’.

Geen idee of men in Duitsland, Oostenrijk en Zwitserland op ‘Der Entenmann’ zit te wachten, maar ik ben blij met een grote, nieuwe lezersmarkt voor onwaarschijnlijk onderzoek, opmerkelijk diergedrag en dode dieren met een verhaal.

Überarbeitet und aktualisiert
Omdat ‘De eendenman’ inmiddels behoorlijk gedateerd is (2009), heb ik het boek in overleg met Edel Books geactualiseerd en aangevuld met passende verhalen uit ‘De bilnaad van de teek’ en ‘De kloten van de mus’. Het hoofdstuk ‘Homoseksuele necrofilie’ is breder van opzet en heet nu ‘Nekrophilie im Tierreich’. Het bevat een representatief overzicht van seksuele interacties tussen levende en dode dieren. Het hoofdstuk over mijn Ig Nobel avontuur (‘Sind Sie der Entenmann?’) is uitgebreid met een verhandeling over Ig Nobel prijswinnaars uit Duitstalige landen. Voor ‘Help, de schaamluis verdwijnt!’ heb ik aanvullend onderzoek gedaan in Duitse insectencollecties en in de oude Duitse schaamluisliteratuur. Duitsland en Oostenrijk blijken de bakermat van het schaamluisonderzoek te zijn. Het hoofdstuk ‘De maffe merel’ (‘Die durchgeknallte Amsel’) bevat meer gevallen van schaduwboksende vogels, en er is een nieuw hoofdstuk over dieren die het slachtoffer werden van sportwedstrijden: ‘Sportopfer’. Alles bijelkaar 320 rijk geïllustreerde pagina’s:

Der Entenmann – Von Spatzenklöten, aussterbenden Filzläusen und nekrophilen Enten 320 Seiten | Hardcover mit 122 Abbildungen | Format 13,5 x 19 cm
Auch als E-Book erhältlich | ISBN 978-3-8419-0610-6 | bestellen kan hier

Hieronder twee citaten waarmee het boek, bij wijze van motto, begint:

Oskar Heinroth (1871-1945) was een groot eendenkenner die de term ethologie  (gedragsonderzoek) als vakgebied binnen de biologie introduceerde. Zijn leerling, Konrad Lorenz (1903-1989), borduurde voort op Heinroths werk en sleepte er, samen met Niko Tinbergen en Karl von Frisch, in 1973 de Nobelprijs mee in de wacht.

Bestellen kan alvast hier: [klik]

 

Advertisements

De kraaienbar

Zondag 29 oktober 2017 sprak ik in het radioprogramma Vroege Vogels de volgende column uit: [hij is hier ook terug te luisteren]

Sinds bijna niemand meer binnenskamers rookt, vormen achteloos weggegooide sigarettenpeuken een grote bron van vervuiling. Het aantal waar het wereldwijd om gaat is duizelingwekkend: vierenhalf triljoen [correctie: biljoen]* – dat is een getal met twaalf nullen. Rokers denken ‘die vergaan wel’ (nee dus!) en pieken de peuken massaal het milieu in, asbakken en peukenzuilen ten spijt. Wie ergert zich niet aan die rotzooi?

crowbarOok voor Bob Spikman en Ruben van der Vleuten zijn peuken op straat een doorn in het oog. Zij ontwikkelden een apparaat waarmee ze kraaien verleiden om peuken te verzamelen en in te leveren. Ze hebben hun uitvinding Crowbar genoemd, een Engels woord dat ik hierbij officieel vertaal als ‘kraaienbar’. Afgelopen week waren de twee in Delft opgeleide industrieel ontwerpers er mee in het nieuws.

Het is een soort vrijstaande trechter waar de vogels dingen in kunnen gooien. Een slimme scanner herkent wanneer dat een peuk is, en beloont de kraai alleen dan met een beetje voer. Zo worden ze geconditioneerd om meer peuken af te geven. Bob en Ruben zijn geïnspireerd door de Amerikaanse technoloog Joshua Klein die in 2007 een pinda-automaat maakte die kraaien beloont met een aardnoot als ze een muntje inleveren. Hij berekende dat er jaarlijks in de Verenigde Staten 1.185.410.000 dollar aan muntgeld op straat terecht komt. Dat is minder dan peuken, maar volgens Klein voldoende om muntzoekende kraaien en zijn machine economisch rendabel te verklaren.

kraai walnootAl deze briljante ideeën leunen op de buitengewone intelligentie van kraaien en hun vermogen tot leren en imiteren. U kent de kraaien wel die in Japan walnoten op de weg gooien, ze laten overrijden door auto’s en pas bij het groene voetgangerslicht de gruzelementen gaan opeten. Of de kraai die een haakje aan een ijzerdraadje boog om een worm uit een potje te vissen. Ze zitten op hetzelfde niveau als mensapen.

De vraag die natuurlijk opborrelt is of de kraaienbar realistisch is? Kraaien peuken laten verzamelen is zeker mogelijk, maar je hebt per kraaienbar wel een aantal goed getrainde laboratoriumkraaien als voorbeeld nodig om het goede werk uiteindelijk door wilde kraaien te laten overnemen. Kom daar maar eens aan. Spontaan gaan kraaien echt geen peuken rapen. En wist u dat peuken ook een goede kant hebben? Sigarettenfilters die verwerkt zijn in vogelnesten verminderen dankzij de nicotine het aantal bloedzuigende luizen en mijten en verhogen daarmee de overleving van nestjongen. Peuken zijn dus giftig, mogelijk schadelijk voor de kraaiengezondheid, en er zijn ook nog wel wat dier-ethische argumenten te verzinnen om de kraaienbar tot de grond toe af te branden. Maar daar gaat het niet om.

Misschien is de kraaienbar van Bob Spikman en Ruben van der Vleuten een grap – maar wel een goede – die de rokend mens op een onconventionele wijze diep aan het denken zet over de rotzooi waarmee ze stad en land achteloos vervuilen.

*  Hier ging ik de mist in. Ik vertaalde het Engelse ‘trillion’ als triljoen. Dat moet ‘biljoen’ zijn. Een (Nederlandse) triljoen telt 18 nullen. Dank aan Wout Kranendonk die mij onmiddellijk op deze fout wees.

Nuttige literatuur over nut en schade van sigarettenpeuken en kraaienintelligentie:

Suárez-Rodríguez, M., López-Rull, I. & Macías Garcia, C. 2013 – Incorporation of cigarette butts into nests reduces nest ectoparasite load in urban birds: new ingredients for an old recipe? – Biol. Lett. 9: 20120931.

Suárez-Rodríguez, M. and Macías Garcia, C. (2014) – There is no such a thing as a free cigarette; lining nests with discarded butts brings short-term benefits, but causes toxic damage – J. Evol. Biol. 27: 2719–2726. doi:10.1111/jeb.12531

Slaughter E, Gersberg RM, Watanabe K, et al. 2011 – Toxicity of cigarette butts, and their chemical components, to marine and freshwater fish – 
Hunt, G.R. 1996 – Manufacture and use of hook-tools by New Caledonian crows – Nature 379, 249-251 | doi:10.1038/379249a0

Nihei, Y. 1995 – Variations of behaviour of Carrion Crows Corvus corone using automobiles as nutcrackers – Japanese Journal of Ornithology 44(1): 21-35

Marc Abrahams wees mij op een artikel dat ontkent dat kraaien auto’s als notenkrakers gebruiken:

Daniel A Cristol, Paul V Switzer, K L Johnson and L S Walke, 1997 – Crows do not use automobiles as nutcrackers: putting an oft-repeated anecdote to the test – The Auk 114(2):296-29

Groeneveldprijs 2017!

Op 19 mei 2017 ontvingen Jelle Reumer en ik de Groeneveldprijs, in Kasteel Groeneveld. Deze prijs wordt sinds het jaar 2000 uitgereikt aan een persoon of organisatie die zich bijzonder heeft ingezet voor het debat over natuur en landschap in Nederland.

Dat is natuurlijk een grote eer, zeker ook gezien de namen en de wapenfeiten van de laureaten die ons voorgingen: Geert Mak (2000), Koos van Zomeren (2001), Helen Mayer Harrison & Newton Harrison (2002), Matthijs Schouten (2003), Jared Diamond (2004), Willem Overmars (2005), Frans van der Hoff (2006), Benny Jolink (2007), Louise Fresco (2008), Auke van der Woud (2009), Willem van Toorn (2010), John Berger (2011), Tracy Metz (2012), de Groene redactie van dagblad Trouw (2013/2014), Wouter Helmer (2015) en Digna Sinke (2016).

Op de oorkonde die Wim van Helden (voorzitter van de stichting Groeneveld) overhandigde, staat te lezen waarom we met deze prijs werden beloond.

[De stichting Groeneveld reikt met bijzonder veel genoegen de Groeneveldprijs 2017 uit aan Kees Moeliker]:

die door zijn lichtvoetige aanpak van ogenschijnlijk triviale details betreffende de stedelijke natuur ons anders leert kijken in de stad.

Op de oorkonde van Jelle Reumer staat hetzelfde. We kregen de prijs voor onze publicaties over natuur in de stad en voor de tentoonstellingen en activiteiten over stadsnatuur in het Natuurhistorisch Museum Rotterdam. Het persbericht dat Stichting Groeneveld op 19 april 2017 verspreidde, verwoordt het als volgt:

De sprankelende presentatie van wetenswaardigheden over de natuur, in het bijzonder de stedelijke natuur is het eigenzinnige waarmerk geworden van beide laureaten en van Het Natuurhistorisch. Op speelse wijze plaatst het Natuurhistorisch Museum Rotterdam ogenschijnlijk triviale details uit de natuur in een ruimer maatschappelijk en natuurlijk perspectief. De nadrukkelijk open communicatie met de lokale instellingen van onderwijs en wetenschap is een al even kenmerkende karakteristiek van beide laureaten. Ook in hun publicitaire activiteiten zijn Reumer en Moeliker opmerkelijk actief en gericht op een stedelijk, nationaal en internationaal publiek.

GroeneveldPrijs_2017

Jelle Reumer (links) en Kees Moeliker met de Groeneveldprijs 2017.

Na de officiële uitreiking volgde de Groeneveldlezing 2017 waarbij Jelle Reumer de natuur in Nederland kenschetste als ‘zombienatuur’ en stelde ‘voor biodiversiteit  moet je de eeuwige raaigrasvelden en de letterlijk onoverzienbare maisakkers achter je laten en de stadspoort binnentreden.’ Ik kon daar mooi op aansluiten met een bloemlezing over een aantal ‘ogenschijnlijk triviale details betreffende de stedelijke natuur’. Deze lezingen zullen te zijner tijd in druk verschijnen.

Nu samen als Dwarsligger®: ‘De eendenman’ en ‘De bilnaad van de teek’

Twee van mijn boeken die al langere tijd niet meer als regulier boek in de handel zijn (wel als een soort print-on-demand dummy), samen verschenen in het handige Dwarsligger® formaat onder de titel ‘De bilnaad van de teek – beesten door de bril van de Eendenman’. Twee complete boeken in één band(je) van een handzaam formaat: ‘net zo klein en licht als een mobiele telefoon en 100% leesbaar’.  Het gaat om de integrale tekst van ‘De eendenman‘ uit 2009 en ‘De bilnaad van de teek‘ uit 2012. Hier en daar heb ik een tikfout verbeterd, een update geplaatst en een foto vervangen door een betere. Te koop in de reguliere boekhandel (15 euro) en ook hier te bestellen.

dwarsligger-cover_def

‘De bilnaad van de teek – beesten door de bril van de eendenman’ – Dwarsligger 455 (ISBN 9789049805456)

help de schaamluis verdwijnt

Rotterdamse natuurvorsers

Essay_Roterodamum_2_2015Woensdag 6 januari 2016 werd het tweede Essay Roterodamum gepresenteerd in het Natuurhistorisch Museum Rotterdam. De Stichting Historische Publicaties Roterodamum, initiatiefnemer en uitgever van de essayreeks, verleende mij de eervolle opdracht het te schrijven. Het 60 pagina’s tellende en mooi vormgegeven boekje is getiteld ‘Rotterdamse Natuurvorsers’. Ik schreef er de volgende ‘disclamer’ boven, want ik ben geen historicus:

Dit essay gaat over Rotterdamse natuurvorsers en natuurvorsen in Rotterdam. Het heeft een autobiografisch karakter en is daardoor beslist geen allesomvattend geschiedkundig overzicht van iedereen die in en om Rotterdam bij natuuronderzoek betrokken is of was. Het geheel is een samenraapsel dat slechts twee verbindende elementen kent: verwondering en bewondering voor de natuur en mijn eigen interesses en belevenissen.

De presentatie van het essay werd ingeleid door een van de redactieleden, Matthijs Dicke. Van hem zijn de volgende (lovende) woorden:

… dit is het tweede essay in onze nieuwe, nog jonge reeks. Ik denk dat het een meer dan geslaagde opvolger is van het eerste essay van Henk Hofland dat in het najaar van 2014 verscheen. Net als Hoflands herinneringen aan zijn Rotterdamse jeugdjaren, beantwoordt jouw autobiografische verhaal eveneens aan de wens van onze stichting om een beeld te geven van de beleving van de stad in historisch perspectief. Je schrijft over je vroege kennismaking met het vak biologie en met de stadsnatuur van Rotterdam. Zonder dat je het verhaal strikt chronologisch hebt opgebouwd, volgen we je eigenlijk stapje voor stapje in je ontwikkeling als lokale natuurvorser. Dit verhaal verrijk jevoortdurend met verwijzingen naar geestverwante personen, of het nu gaat om wetenschappers van lang geleden die jou inspireerden of juist om nabije vrienden met wie jij je lange ontdekkingstocht tot op de dag van vandaag hebt gemaakt en beleefd. Dit levert een prachtig, afwisselend, gelaagd verhaal op.

Zo passeren bijvoorbeeld je eerste schelpenverzameling waarover je een brief schrijft aan Donald Duck en een expeditie op de Bergse Plassen waar jij als tiener in 1973 samen met je vogelvriend Michiel Hendriks de eerste Nijlgans van Rotterdam ontdekt. Je beschrijft verschillende Rotterdamse biologen die je voorgingen, onder wie Anton van Deinse, in wie jij jezelf enigszins herkent omdat hij veel publiceerde en omdat hij – zoals je schrijft – oog heeft voor het ongewone. Je schrijft dit alles in een mild-wetenschappelijke, toegankelijke en tegelijkertijd droogkomische stijl, die we van jou kennen.

Het mooie van het essay is dat we jou als persoon, met je bijzondere passie en fascinaties voor jouw vak beter leren kennen en dat je tegelijkertijd een beeld geeft van Rotterdam als natuurhistorisch decor dat altijd in beweging is en dus ook altijd actueel, relevant en urgent is. Het essay gelezen hebbend – het privilege van de redacteur – zal ik voorgoed anders naar de stad kijken. En ik ben ervan overtuigd dat alle Rotterdammers die het gaan lezen dat het komend jaar ook zullen doen. Hulde en duizendmaal dank, ook namens mijn mederedacteuren Arij de Boode, Els van den Bent en Nelleke Noordervliet, die de eerste versie eveneens met veel plezier hebben gelezen.

De eerste exemplaren werden door de uitgever op mijn verzoek aangeboden aan Kees Heij (die mij op het juiste moment omstreeks 1970 in aanraking bracht met de natuurhistorie) en Ferry van Jaarsveld (22), veelbelovend preparateur en de jongste vrijwilliger van het Natuurhistorisch Museum. De aanwezigen ontvingen allemaal een exemplaar van het essay.

De avond eindigde met een traditionele signeersessie:

De auteur signeert het exemplaar van Erwin Kompanje.

De auteur (rechts) signeert het exemplaar van Erwin Kompanje (links).

Essay Roterodamum 2 is (beperkt) verkrijgbaar: voor Euro 9,90 in de winkel van het Natuurhistorisch Museum Rotterdam. Leden van Historisch Genootschap Roterodamum hebben een (automatisch) abonnement. Essay nummer 1 verscheen in 2014 en werd geschreven door Henk Hofland.

De Capelsebrugboulevard

Sinds eind november 2014 is er ook werk van mij te horen (!) in de publieke ruimte.
Erik Sandifort nodigde mij uit ‘om te reageren’ op het 70 meter lange panorama van Rotterdam dat hij heeft gemaakt ter verlevendiging van de ooit suffe en groezelige fietstunnel onder metrostation Capelsebrug, in Rotterdam. De vraag was eenvoudig, maar ik reageer zelden op kunst in de openbare ruimte. Daarom kostte het mij nog wel enige hoofdbrekens hoe ‘te reageren’. Uiteindelijk ben ik afgelopen nazomer een paar keer naar het metrostation gefietst (ik woon er in de buurt) om het werk van Sandifort op mij in te laten werken. Geheel volgens het boekje schreef ik wat mij inviel op, in het notitieboekje dat ik altijd bij mij draag. Het resultaat schreef ik op.

Het panorama, overigens, bestaat uit een serie superscherpe foto’s van Rotterdam langs de lijn Botlek – Noordereiland met de Nieuwe Maas als rode draag. Het is verbluffend wat er allemaal op te zien is. Ik zag warempel niets-vermoedende gebruikers van het openbaar vervoer en loslopende passanten kijken, jawel kijken. Dat deed ik ook, en nu is er dus ook wat te luisteren – naar een tekst van Jules Deelder en mijn woorden:

Capelsebrugboulevard

Dit is niet zomaar een plek, dit is het Capelsebrugpad: een tunnel door het metrotalud, een grens tussen stad en buitenwijk. Hier houdt de stad op en begint de polder – of andersom, zoals u wilt. Hierboven brengt de metro u zeker tien keer per uur de stad in of uit. Mijn reisadvies: blijf waar u bent!

Kijk hier. Van het stadshart naar het Noordereiland, de Kop van Zuid, Katendrecht, de Waalhaven, van Delfshaven tot de Botlek – een wijds panorama waarin de Nieuwe Maas alles verbindt. Met zo’n geweldig uitzicht op de stad is dit geen pad meer maar een boulevard, de Capelsebrugboulevard.

Sta even stil. Haal een patatje en een blikje fris, en kijk uw ogen uit. De waterbus vaart, een vlag hangt halfstok. Vliegt daar nu ook een meeuw? En dan het groen, ziet u dat ook? Op Zuid staan meer bomen dan gebouwen, en overal, zelfs tussen haven en industrie, kruipt de polder de stad in, of juist weg.

Open land, weidsheid. Koeien rukken op. U ruikt welhaast het veen, de klei, het natte gras. En stop, hoor het goed: de roep van de kievit. De stad is niet meer wat het was, geen stapel steen en staal. Het groen vecht terug en wint terrein. U ziet het hier: de stad is ook natuur.

Capelsebrugboulevard_2015
Zelf heb ik het ‘geluidsdocument’ ondanks vier (!) pogingen nooit gehoord, maar vermoedelijk trof ik iedere keer een storing. Ga eens kijken en luisteren langs de Capelsebrugboulevard, het is zeker de moeite waard. Al is het maar om het geluid van een baltsende kievit. Volgens de RET is het zelfs een belevenis.

Luister hier naar een reportage over dit onderwerp op Radio Rijnmond.

Raamzwaan

Mijn rubriek ‘Beest’ op de Achterpagina van NRC Handelsblad (in 2012 gebundeld in ‘De bilnaad van de teek‘) verschijnt tweewekelijks op dinsdag. Vandaag staat Beest #166 in de krant. Omdat ik er een verduidelijkend filmpje bij heb, publiceer ik het stukje bij uitzondering nu ook hier, met het filmpje.

166_beest_raamzwaan

De stad biedt de vogelwereld veel goeds. Diversiteit aan groen, aanwezigheid van allerlei natte milieus, gebouwen (nestgelegenheid), de iets hogere temperatuur en veel voedsel (menselijk afval) zorgen er voor dat opvallend veel soorten de stad als leefgebied hebben. Zij nemen kennelijk een aantal ongemakken voor lief: de alom aanwezige huiskatten die menig vogel verschalken, en glazen gebouwen die ongekende aantallen raamslachtoffers maken. Met een beetje doorrekenen op basis van de analyse van 92.869 dodelijke vogelaanvaringen met glas, kwam men onlangs (The Condor 116: 8-23) alleen al voor de Verenigde Staten op een jaarlijkse sterfte van 599 miljoen vogels door glazen gebouwen.

De invloed van glas op vogelgedrag is nog onderbelicht. Mij bereiken steeds meer berichten over vogels die zich schier oneindig bezighouden met het verdrijven van hun eigen spiegelbeeld dat reflecteert in ramen, autolak, zijspiegels en bushokjes. Dit zijn altijd mannetjes die hun territorium en/of kroost verdedigen tegen indringers. Langs de Oudedijk in Rotterdam observeerde ik afgelopen weekend een knobbelzwaan (Cygnus olor) die tenminste de hele middag met zijn snavel tegen dezelfde ruit stond te tikken, terwijl zijn vrouw en nageslacht onbekommerd op een paar meter afstand op een grasveldje lagen te slapen.

Onderstaand filmpje maakte ik met mijn iPhone op zaterdag 31 mei 2014, rond 15.30 uur, op de Oudedijk ter hoogte van de Jericholaan, in Rotterdam-Kralingen.