Erken de stad als biotoop!

Zondag 17 maart 2013 mocht ik weer eens een column uitspreken in het Radio 1 programma Vroege Vogels. Hij is hier te beluisteren en hieronder na te lezen:

U kent dat wel. Drukke kantoorbaan, te veel nevenactiviteiten, het huishouden, sociale verplichtingen: ik kom eigenlijk nooit meer ‘buiten in de natuur’. En met mij inmiddels de helft van de wereldbevolking die in steden woont. Wat ik mis is de frisse lucht, maar de planten en dieren die de stad als leefgebied hebben, maken veel goed. Ik hoef eigenlijk niet zo nodig naar het Naardermeer, de Ackersdijkse Plassen of naar andere postzegelgrote natuurgebieden. De stadsnatuur bevredigt mij dicht bij huis.slechtvalk op EMC-logo (Garry Balkker)

Neem nu de slechtvalken die de nieuwbouwtoren van het Erasmus Medisch Centrum in Rotterdam als nieuwe hangplek hebben ontdekt. Een paartje van deze prachtige roofvogels zit regelmatig op de grote blauwe E van Erasmus in het logo dat hoog aan de gevel hangt. Ze overzien de stad en pendelen van daaruit naar de Maasbruggen. ‘Kijk, daar, een slechtvalk!’ zeg ik vaak tegen wandelaars in het Museumpark. Ik wijs dan naar het stipje op het 130 meter hoge gebouw of op een piepklein vogelsilhouet dat hoog in de lucht rondjes draait. Meestal krijg ik meewarige of ongelovige reacties en loopt men snel door, maar soms kan ik mijn verhaal kwijt over de slechtvalk die hoge bouwwerken als aanvulling op zijn natuurlijke leefgebied (klifkusten en ravijnen) heeft ontdekt.  Honderd paar broedt er al in Nederland, van Nijmegen tot Den Bosch en van Amsterdam tot Rijswijk, eigenlijk overal waar hoge gebouwen en andere hoge structuren met vrij uitzicht staan.

Rotsduiven, in de vorm van verwilderde postduiven, volgden dezelfde gang naar de steden en vormen nu het hoofdvoedsel van stadsslechtvalken. In Rotterdam vinden we het bewijs daarvan op de Willemsbrug: er liggen talloze afgekloven duivenkarkassen. Slechtvalken kijken ook al met een schuin oog naar een andere smakelijke stadsvogel, de halsbandparkiet die als exoot eigenlijk nog geen natuurlijke vijanden heeft. Nog even en die lawaaipapegaaien moet er ook aan geloven. De stad doet niet onder voor een natuurlijk ecosysteem.

Met de prognose dat in 2050 ongeveer 70% van de wereldbevolking in steden woont en dat steden groeien in aantal en qua oppervlakte, wordt dat leefgebied voor zowel mens, dier als plant steeds belangrijker. Het is de hoogste tijd de stad te erkennen als een biotoop in het rijtje regenwoud, woestijn en oceaan. Dat leefgebied is weliswaar door de mens gemaakt en heeft de mens als hoofdbewoner, maar dieren en planten vinden en verdienen er ook een plek. Dat maakt de stad tot een fijnere leefomgeving, niet alleen voor slechtvalken, stadsduiven en halsbandparkieten, maar vooral ook voor onszelf.

slechtvalk op EMC logo (Garry Bakker)

Natuurhistorie en stadsnatuur

In 2011 ben ik elke maand één keer ‘columnist van de week’ bij Vroege Vogels op radio 1. Zondag 11 september om 8.30 uur was de negende in de reeks ‘Uit de Koker van Kees’ te beluisteren. Het volledige programma werd uitgezonden vanuit het Natuurhitorisch Museum Rotterdam. Het was een thuiswedstrijd voor mij. Dit is de uitgeschreven tekst:

Nu ik vanuit Het Natuurhistorisch – al ruim 20 jaar mijn werkplek – deze column mag uitspreken, vertel ik u graag hoe wij hier in het museum de natuur verzamelen, bestuderen en in kaart brengen. Vroeger, ver voor mijn tijd, ging dat uitsluitend met vallen, netten en de luchtbuks. Mijn voorgangers lieten links en rechts wat vogels schieten, trokken planten uit de grond, gingen met het vlindernet naar buiten, pielden landslakjes uit boomschors en verrijkten zo de museumcollectie. Bijna alles wat we nu weten over de flora en fauna van Rotterdam vantoen, staat opgeprikt, opgezet, opgeplakt of opgepot in het museum. De collectie is een rijke bron van natuurinformatie uit de tijd dat waarneming.nl nog Science Fiction was.

Tegenwoordig zorgen de natuurbeschermingswetten ervoor dat het museum gerichter en vooral passiever verzamelt. Dat komt er meestal op neer dat ik wacht tot zich iets tegen het raam doodvliegt. Een ware cultuuromslag vond plaats in 1997 toen het museum samen met de Gemeente Rotterdam ‘bureau Stadsnatuur’ oprichtte. Het werd een heuse onderzoeksafdeling van het museum die de natuur van de Maasstad in kaart ging brengen voor stadsbewoners, bestuurders en later ook externe opdrachtgevers. Er werken jonge gedreven veldbiologen die, samen met de modder in hun profielzolen, een schat aan informatie over de stadsnatuur het museum binnen brengen. Eén nadeel: het zijn aaiers. Ze laten de beestjes die ze vangen weer los! Hoogtepunt was de ontdekking van eerste rivierrombout, een prachtige libel, die in 2003 na 100 jaar weer in Rotterdam gevangen werd. Het insect werd uitvoerig bevoeld, gefotografeerd en weer losgelaten! Onvergeeflijk voor de conservator die hem graag in de collectie had opgenomen.

Zonder gekheid: de hoeveelheid informatie die mijn gewaarde collega’s van bureau Stadsnatuur samen met een grote schare vrijwilligers verzamelen, is groot en waardevol. Rotterdam telt – om maar eens wat te noemen – 1090 soorten vlinders en motten, 159 soorten vliegen en muggen, 131 soorten mieren, wespen, hommels en bijen, 38 soorten libellen, 23 soorten sprinkhanen, 48 soorten vissen, 40 soorten zoogdieren, 335 soorten vogels, 11 soorten amfibieën en reptielen, 165 soorten mossen en 911 soorten wilde planten. Die hoge biodiversiteit (wees niet bang, ze zijn er niet allemaal tegelijk) dankt Rotterdam onder andere aan relatief veel en vooral grote parken en het havengebied met veel braakliggende terreinen.

De rijke Rotterdamse stadsnatuur is iets om te koesteren, maar verbeteren kan ook. Verbind groengebieden onderling, stop onmiddellijk met het voorturend maaien van die fijne onkruidveldjes en schaf de bloembakkennatuur af. En, alstublieft, laat weer gras in de Blunderput wortelen.

bronnen:

De Zwarte, Niels, 2010 – De hoogste tijd voor een Rotterdams ecologisch beleid – Straatgras 22(1): 17-18

De Zwarte, Niels, 2010 – De route naar een ecologisch beleid in Rotterdam – Straatgras 22(5): 104-106