De Mondkapmeeuw

Op zondag 28 maart 2021 sprak ik in het radioprogramma Vroege Vogels de volgende column uit (hij is hier ook te beluisteren):

[Dit is de uitgeschreven tekst]

Bijna twaalf jaar geleden, op 3 mei 2009, sprak ik voor deze microfoon een column uit met de titel ‘De McFlurry Egel’. Ik citeer de eerste alinea: ‘Een van de weinige verslavingen die ik heb, is de McFlurry. Dat is een vanille-ijsje waar ze (nog meer) zoetigheid op strooien en er vervolgens doorheen draaien, M&M’s bijvoorbeeld. Heerlijk! Als ik in de buurt ben van een vestiging van de hamburgergigant die ze verkoopt, dan val ik er voor. Ik heb deze zwakte lang voor me gehouden, maar nu kom ik er mee naar buiten vanwege 2009, het Jaar van de Egel.’ 

Deze bekentenis kwam voort uit mijn zorg om egels die – op zoek naar restjes ijs – met hun kop vast kwamen te zitten in de taps toelopende plastic ‘kraag’ van achteloos weggeworpen McFlurry-verpakkingen. Ze verdronken verblind of verhongerden langzaam. Die column en het eerste officiële Nederlandse McFlurry-slachtoffer (uit 2007) dat we compleet met die ellendige ijsbeker op zijn kop in het Natuurhistorisch Museum Rotterdam exposeren, heeft veel mensen aan het denken gezet over de invloed van zwerfafval op het leven van dieren. De aandacht voor de dode egels leidde er zelfs toe dat McDonalds de opening in de vermaledijde plastic kraag verkleinde zodat er geen volwassen egelkoppen meer in passen. Helaas bemoeilijkte die aanpassing ook voor mensen het uitlepelen van ijs en trokken consumenten de kraag van de beker. Die losse kragen zagen we vervolgens terug op de koppen van stadsduiven. 

Gelukkig heb ik nu positief nieuws. Toen ik vorige week sinds lange tijd mijn ijshonger weer eens met een McFlurry® stilde, geloofde ik mijn ogen niet: de ijsbeker is compleet van karton en de kraag, die voorkomt dat de M&M’s bij het vermalen over de rand spetteren, is inklapbaar. Het is een sterk staaltje verpakkingsontwerp waardoor de McFlurry-egel na veertien jaar nu echt natuurhistorie is.

Nu deze ellende achter de rug is, dreigt er een nieuw afvalprobleem dat zijn weerga niet kent: de coronamondkapjes die in het milieu terechtkomen. Voortkomend uit hun project ‘Plastic Spotter’ waarbij ze samen met vrijwilligers vanuit kano’s drijfvuil uit de Leidse grachten vissen, publiceerden de biologen Auke-Florian Hiemstra en Liselotte Rambonnet afgelopen week het eerste wetenschappelijke wereldwijde overzicht van de invloed van COVID-19 afval op dierenleven. Ze documenteerden 28 gevallen (het topje van de ijsberg) waarbij vooral vogels maar ook krabben, honden, een vis, een vleermuis een aap en (jawel!) ook een egel in mondkapjes of latex handschoenen verstrikt raakten of dat zwerfafval opaten. 

In het Natuurhistorisch Museum Rotterdam hebben we inmiddels een zilvermeeuw met zijn poot verstrikt in het elastiek van een mondkapje. Hij neemt in de tentoonstelling ‘Dode dieren met een verhaal’ als de Mondkapmeeuw de prominente rol van de McFlurry-egel over, met dezelfde boodschap: gooi je rotzooi niet op straat!

De Mondkapmeeuw (zilvermeeuw), Rotterdam-Maasvlakte, 1 januari 2021 (collectie Natuurhistorisch Museum Rotterdam, NMR 9989-172803)
McFlurry-beker met (links) de in 2008 aangepaste opening (van 55 naar 35 mm) en de huidige aangepaste verpakking, zonder plastic ‘kraag’ (rechts).

Bronnen:

Hiemstra, A.-F., Rambonnet, L., Gravendeel, B. & Schilthuizen, M. 2021 – The effects of COVID-19 litter on animal life – Animal Biology: doi.org/10.1163/15707563-bja10052  

Kompanje, E.J.O. 2021 – Gevleugelde coronadoden [blog] – https://kompanje.org/2021/01/03/gevederde-coronadoden/

Moeliker, K. 2009 – De McFlurry Egel [column] – Vara’s Vroege Vogels https://www.bnnvara.nl/vroegevogels/artikelen/kees-moeliker-de-mcflurry-egel

Een uil in de kerstboom

Op zondag 13 december 2020 sprak ik in het radioprogramma Vroege Vogels deze column uit: (hij is hier ook terug te luisteren):

Elk jaar is het binnenhalen van de kerstboom bij mij thuis een hoogtepunt. Allereerst omdat ik dan eindelijk het ski-luik van mij Saab kan gebruiken – een klepje in de achterbank dat een open verbinding creëert met de achterbak. Volgens mijn garagist bedoeld voor het vervoeren van ski’s – die zonder dat luik alleen op het dak passen – maar ik prik de Nordmann er doorheen. Elke auto zou zo’n kerstbomenluik moeten hebben.

In huis begint het echte feest. De boom krijgt zijn plaats en mijn vrouw en kinderen gunnen mij een halve middag intiem contact met de nog maagdelijke spar. Geconcentreerd observeer ik welke beestjes uit de langzaam opwarmende boom tevoorschijn komen. Dat doe ik al jaren. Mijn kerstboombeestjesboekhouding zal ooit een doorwrochte publicatie worden. De boom van 2020 leverde slechts een spinnetje op, een ordinaire kruisspin. Maar ik heb jaren gehad dat er een horde lieveheersbeestjes over het parket kroop of een nest met rupsen. Mijten en teken hebben we ook met de kerstboom naar binnen gehaald, en in 2017 kropen er springstaarten uit de kluit. Vorig jaar kwamen er twee ‘vliegjes’ tussen de takken vandaan, maar die heb ik niet kunnen vangen. Mijn voorlopige conclusie is dat de kenners die van 25.000 beestjes per boom spreken overdrijven, maar je verhoogt in december met de kersboom hoe dan ook de biodiversiteit in huis.

Het wachten is natuurlijk op iets bijzonders, zoals de zaaguil (Aegolius acadicus) die eind november werd gevonden in de 23 meter hoge spar die met het oog op de feestdagen voor het Rockefeller Center in New York was neergezet. Het arme 20 centimeter grote uiltje was verstijfd van schrik blijven zitten toen de boom in een boreaal bos werd omgezaagd. Pas twee dagen later en 300 kilometer zuidelijker werd hij in hartje Manhattan ontdekt.

Omdat onze krap anderhalve meter hoge Nordmann ook dit jaar geen uil herbergde, fiets ik even langs de Coolsingel waar voor het Rotterdamse stadhuis al sinds jaar en dag in de decembermaand een reusachtige kerstboom staat. Je weet maar nooit. Sinds zusterstad Oslo de jaarlijkse donatie staakte, is de herkomst van de boom mij onduidelijk. Toch hoop ik dat er een dwerguil afkomstig uit Scandinavië tussen de met ledlampjes verlichte takken zit. Vol goede moed schop ik drie keer tegen de sokkel. Niets. Zelfs ‘Djuuu, Djuuu, Djuuu, Djuuu’ ontlokt geen reactie. Ook een perfecte imitatie van een meer voor de hand liggende lokale bosuil – ‘Oe-oe-oe, Oe-oe-oe, Oe-oe-oe, Oe-oe-oe’ – levert niets op, behalve verbaasde blikken van voorbijgangers.

De kerstboom voor het stadhuis aan de Coolsingel in Rotterdam, december 2020.

De mus als graadmeter

Op zondag 30 augustus 2020 sprak ik in het radio 1 programma Vroege Vogels de volgende column uit: [hij is hier binnenkort ook te beluisteren]

Deze zomervakantie verruilde ik corona-hotspot Rotterdam voor de Oostenrijkse Alpen. Puur gevoelsmatig leek mij de frisse berglucht in Tirol te verkiezen boven een zeebries op een overvol Hollands strand. Het was immers al après-ski seizoen en de bergpaadjes zouden het domein zijn van de wat oudere natuurliefhebber op wandelschoenen. Het was er inderdaad heerlijk rustig. Behalve mondkapjes en desinfectiegelpompjes in winkels deed mij niets aan het loerende virusgevaar denken. Terwijl de kinderen zwommen in smeltend gletsjerijs, speurde ik naar vogels. Hoewel de raven, waterspreeuwen, citroensijzen en beflijsters mijn vogelaarshart natuurlijk sneller lieten kloppen, was ik vooral onder de indruk van de huismussen. Bij vrijwel elke Bauernhof, mesthoop en op elk kippenhok en dorpsplein zaten ze. In de grote stad Innsbruck aten ze de slagroom van mijn Apfelstrudel. Mijn kinderen – opgegroeid met halsbandparkieten, stadsduiven en slechtvalken – bekeken de mussenweelde met verbaasde ogen en vroegen ‘Wat zijn dat voor vogels?’. Terugrijdend over de Autobahn mijmerde ik over de teloorgang van de huismus die ik in Nederland van nabij heb meegemaakt. Wat is er misgegaan met de leefomgeving die mussen en mensen delen?

Twee huismussen op een Tiroler boerenschuur, augustus 2020.

Weer thuis word ik op mijn wenken bediend. Tussen de post ligt ‘Limosa’ – het tijdschrift van de Nederlandse Ornithologische Unie en Sovon Vogelonderzoek Nederland – waarin Willem van Manen 42 jaar systematisch huismustellen tegen het licht houdt. Hij analyseerde daarvoor de zogenaamde Punt-transect-tellingen die jaarlijks verspreid over het hele land in de laatste twee weken van december plaatsvinden. Het is zeg maar de Tuinvogeltelling voor gevorderden. Vanaf 1978, toen de eerste tellingen werden gedaan, nemen de mussenaantallen jaarlijks gestaag af met ongeveer 1,8 procent. Op volledig bebouwde telpunten ging de afname sneller (4,2 procent). Op het platteland zit het kwaad in de schaalvergroting – het verdwijnen van het kleine, gemengde agrarische bedrijf – en de opkomst van snijmais ten koste van rogge en haver. Voor wat betreft de stad concludeert ook deze studie dat het gebrek aan insecten als voer voor nestjongen een belangrijke oorzaak van de aantalsafname is. En dat heeft weer alles te maken met de aanleg van onderhoudsvrij openbaar groen en het betegelen van tuinen. Het is allemaal te stenig, te kaal en te netjes geworden voor de mus.

Ook deze week verscheen er een studie van de Universiteit van Hasselt die aantoonde dat stadskinderen die opgroeien in een groene(re) woonomgeving een beduidend hogere IQ-waarde scoorden dan kinderen met minder groen om het huis. Bij drie procent meer groen binnen drie kilometer van huis, tikt de IQ-teller er 2,6 punten bij. En het goede nieuws is ook dat die verhoogde intelligentie niet(s) te maken heeft met opleidingsniveau en inkomen van de ouders. Het draait dus echt om het leefmilieu. Deze Vlaamse intelligentiestudie is het zoveelste bewijs dat de nabijheid van natuur leven en welzijn van de mens positief beïnvloedt.

Dat het in de afgelopen 40 jaar bergafwaarts is gegaan met de huismus geeft te denken. Anders dan de raaf, waterspreeuw, citroensijs en beflijster is de huismus als cultuurvolger een uitmuntende graadmeter voor een gezonde leefomgeving. Mussen op straat, daar word je wijzer van!

Bronnen

Van Manen, W. (2020) – Huismus en Ringmus in Nederland meer dan 40 jaar gevolgd – Limosa 93(2): 48-58

Bijnens EM, Derom C, Thiery E, Weyers S, Nawrot TS (2020) – Residential green space and child intelligence and behavior across urban, suburban, and rural areas in Belgium: A longitudinal birth cohort study of twins – PLoS Med 17(8): e1003213. https://doi.org/10.1371/journal.pmed.1003213

Weg met de grasmaaier!

Op zondag 14 juni 2020 sprak ik deze column uit in het radioprogramma ‘Vroege Vogels’: [hij is hier ook terug te luisteren]

Hij moet het met een eenvoudige gedenkplaat doen, maar als Edwin Beard Budding – de uitvinder van de grasmaaier – een standbeeld had gehad, dan was hij deze week vast en zeker van zijn sokkel getrokken. De grasmaaier, die kan echt niet meer. Gepatenteerd in Engeland 1830 als mechanische vervanger van de zeis, sikkel en grazende geiten, bracht de uitvinding uitkomst voor het millimeteren van golfbanen en voetbalvelden. Tegenwoordig is het een machine die elke vorm van wildgroei coupeert. Er zijn nu cirkelmaaiers, klepelmaaiers, zitmaaiers, robotmaaiers en – de ergste van allemaal – bosmaaiers, een soort staafmixer voor de moeilijke hoekjes. Vanwege het onuitroeibare ‘Alles Moet Kapot’ is er zelfs een in Amerika gepatenteerde motormaaier die via de uitlaatgassen een chemisch goedje vernevelt dat insecten doodt en, afhankelijk van het gifmengsel, ook ongewenste vegetatie uitroeit. Tel uit je winst.

Het maaien beperkt zich niet tot het gras van suffe gazons en speelweiden, nee ook bloemrijke bermen en braakliggende terreinen gaan onder het mes. Daar waar zich straatgras en andere flora tussen stoeptegels vertoont en maaimachines kansloos zijn, wordt zwaarder geschut ingezet: zogenaamd milieuvriendelijke stoomspuiten en – jawel – vlammenwerpers. Zelfs voor je eigen straatje of tuinpad zijn er de ‘Thermoflamm Bio Classic’ (op gas), de ‘Thermo Kill Trio’ (elektrisch), en de ‘Green Power Evolution’ (ook elektrisch). De strijd tegen alles wat zich boven het maaiveld vertoont, is big business en dat allemaal onder het mom van ‘groenbeheer’.

De coronacrisis leerde mij dat het anders kan en dat zelfs saaie gazons kunnen opfleuren. Vanuit mijn vrijwillige isolatie in het Natuurhistorisch Museum, waar ik werk, kijk ik uit op het Rotterdamse Museumpark. Daar werd vlak voor het paasweekend een hek omheen gezet, omdat de picknick- en andere coronaparty’s niet meer te handhaven waren. De trieste aanblik van een stadspark zonder mensen veranderde opvallend snel in een park met bloemrijk grasland. Doordat ook de motormaaier wegbleef, bloeiden de madeliefjes en paardenbloemen op tot een ongekende oppervlaktedekking. Ze stonden overal, dicht opeen en het gonsde er van de wilde bijen en zweefvliegen. Toen begin juni de coronamaatregelen versoepelden, de musea weer openden en het hek verdween, werd het gras met bloemen en al gemaaid. Alles was weer ‘zoals het hoort’ – kort en netjes – ongetwijfeld volgens een door de gemeentelijke groenbeheerders goedgekeurd maaiprotocol.

Positieve uitzonderingen daargelaten, vermorzelt de grasmaaier nog veel te veel spontane natuur in de stad en daarbuiten. Waar stadsbewoners, bioboeren en ecologen de handen ineenslaan om de biodiversiteit naar een hoger plan te tillen, volharden groenbeheerders in achterhaalde ideeën hoe parken, tuinen, bermen en slootkanten er uit moeten zien. Het is tijd voor verandering. Weg met de grasmaaier!

Het Stadsnatuurreservaat achter het Natuurhistorisch Museum Rotterdam werd eind mei 2020 per abuis gemaaid.

De verrekijker 2.0

Zondag 23 februari 2020 sprak ik in het radioprogramma Vroege Vogels de volgende column uit: [hij is hier ook terug te luisteren]

In plaats van hier voor de microfoon te zitten, beste luisteraars, zoek ik op zondagochtend eigenlijk het liefst mijn topmodellen op. Dat gaat vandaag niet meer lukken, maar ze wachten geduldig tot ik ze uit het zachte kalfsleer rits. De geur van rijke oliën en leren riempjes, het fijne reliëf van de huid, de harde, strakke lijnen of juist de wulpse rondingen winden me op. Ja, mijn verrekijkerverzameling is me dierbaar.

Ik heb er bijna honderd en specialiseer me in modellen van de Duitse topmerken Leitz en Zeiss, gefabriceerd vanaf mijn geboortejaar 1960. Het zijn wondertjes van optische en mechanische techniek die ik, hoewel sommigen meer dan een halve eeuw oud, intensief gebruik. Voor vogels kijken in een donker bos is de 7×42 ideaal, in de polder en langs de kust zweer ik bij de 10×40, en in de stad heb ik altijd een compacte, opvouwbare 10×25 in mijn jaszak. Bij zwaar weer neem ik er een waarmee je zelfs kan snorkelen.

Hoewel militairen, spionnen en zeevarenden het nut van verrekijkers al vroeg door hadden, heeft het opmerkelijk lang geduurd voordat het optische hulpmiddel ook bij de vogelstudie werd gebruikt. In 1889 verscheen weliswaar in de Verenigde Staten het boekje ‘Birds through an opera-glass’, maar denk nu niet dat vroege vogelkundigen met een toneelkijkertje het veld in gingen. Nee, zij pakten het geweer als ze wilde weten wat er rondvloog. De eerste serieuze vogelstudies waarbij verrekijkers gebruikt werden, zijn nog maar een eeuw oud en pas toen er relatief goedkope Japanse prismakijkers op de markt kwamen, nam het hobbyvogelen een vlucht. De Duitse kwaliteitsoptiek was toen slechts weggelegd voor vogelende notabelen. Mijn eerste verrekijker was een ‘Primax’, een loodzware 7×50, bij elkaar gespaard met auto’s wassen.

De verrekijker is de levensgezel van de vogelaar. Samen met het vogelboek, de boterham-met-pindakaas, een thermosfles koffie en een platvink single malt is het een ijzersterke combinatie die in elk geval mij veel natuurgenot heeft gebracht. Kijken, bladeren, slok koffie, vergelijken, beter kijken, bladeren. Het zijn dierbare momenten op een duintop, maar die intieme, individuele natuurbeleving gaat verdwijnen.

Afgelopen week kondigde de Oostenrijkse fabrikant van hoogwaardige optische apparatuur Swarovski het nieuwe vogelen aan met de dG die vanaf 1 april verkrijgbaar is. Het is een soort 8×25 verrekijker met een ingebouwde 13-megapixel camera én wifi-hotspot waarmee je dankzij een beproefde identificatie app onmiddellijk op je smartphone ziet welke vogelsoort je in beeld hebt. Andere hippe vogelaars in de buurt kunnen de live stream volgen, en met nog een druk op de knop deel je de waarneming op social media. Ik heb het voor u nog even nagevraagd in Tirol: het is géén grap. De verrekijker 2.0 komt er aan!

Nuttige links en bronnen aanklikbaar in de tekst

           

           

Red de houtsnip!

Zondag 10 november 2019 sprak ik in het radioprogramma Vroege Vogels de volgende column uit:

Als ik één vogel associeer met het najaar is dat de houtsnip. Dat heeft twee redenen. De eerste is het verenkleed van de steltloper – werkelijk prachtig uitgevoerd in alle mogelijke herfsttinten. Het samenspel van de kleuren bruin, zwart en grijs is zodanig dat elke met zorg samengestelde herfsttafel er bij verbleekt. De tweede reden is de najaarstrek. Precies nu, in de eerste twee weken van november, is die op zijn hoogtepunt en trekken er duizenden door ons land. Ze komen uit Scandinavië en Oost-Europa, sommigen van ver achter de Oeral, en zijn onderweg naar Frankrijk, Engeland en Spanje om te overwinteren. Hoewel de houtsnip in zijn broedgebied een schuwe bewoner van bossen is die pas in het schemerdonker actief wordt, is de kans groot dat u er dit najaar midden op de dag een ziet of heeft gezien – vooral als u in een grote stad woont. De kans is ook groot dat die houtsnip dood was.

Dat zit zo. Ze trekken ’s-nachts en worden door het licht dat nooit dooft steden ingezogen. Wanneer de dag aanbreekt en de vogels vliegend een veilig heenkomen zoeken, blijkt dat ze niet aangepast zijn aan het leven in de stad. Hun ogen staan opvallend ver naar achteren. Dat is een prettige aanpassing voor een op bosgrond broedende vogel – dan zie je zonder je kop te bewegen roofvijanden van alle kanten aankomen. Maar helaas is recht vooruit het zicht van de houtsnip ronduit slecht. In de stad vliegen ze zich daardoor vroeg of laat dood, tegen etalageruiten, glazen gevels, in portieken en bushokjes.

Afgelopen vrijdag bracht een bezoeker van het Natuurhistorisch Museum een gecrashte houtsnip binnen: “Een soort grutto, hiernaast tegen het gebouw geknald!” zei de man omringd door zijn zichtbaar geschokte gezin. Ik pakte de vogel aan. Hij keek nog kwiek uit zijn grote zwarte ogen, maar het kopje hing al een beetje scheef. Geen goed teken. Binnen een uur was hij dood. Weer een houtsnip minder.

Wereldwijd sterven jaarlijks miljarden vogels door botsingen met glazen gebouwen en andere doorzichtige of spiegelende structuren. De oplossing – niet meer bouwen met glas, maar natuurinclusief – vergt een mentaliteitsverandering bij architecten en stedenbouwkundigen die slechts langzaam indaalt. Lokaal zijn er snelle successen te boeken. Zo bleek uit een recent onderzoek in Polen, waar zich jaarlijks ongeveer een miljoen vogels tegen glazen bushokjes te pletter vliegen, dat bushokjes waarvan de ruiten (clandestien) van graffiti-schilderingen waren voorzien veel minder raamslachtoffers eisten dan brandschone hokjes. Tegen bushaltes waarvan het glas én bespoten én vuil (niet gezeemd) was, botsten nauwelijks vogels.

Lieve luisteraars van Vroege Vogels als jullie nu allemaal in je eigen buurt een glazen bushokje met een spuitbus onder handen nemen, dan gaat dat veel raamslachtoffers schelen. Ook de houtsnip is jullie dankbaar.

Stenen voor een bosuil

Voor de uitzending van het radioprogramma Vroege Vogels van zondag 28 juli 2019 schreef en sprak ik onderstaande column uit (hij is hier ook terug te luisteren):

Luisteraars, tegen mijn gewoonte in zit ik niet live achter de microfoon om deze column voor te dragen, maar praat ik in een opnameapparaat. Wanneer u dit hoort, ben ik namelijk met vakantie langs de westkust van Turkije. Bij de keuze van die bestemming speelden mijn kinderen een grote rol, want zij wilden wel weer eens ‘naar dat land met die uil’. Dat zit zo. Vijf jaar geleden waren we er ook, in een badplaatsje niet ver van Bodrum, zonder hoogbouw, met olijfboomgaarden in het achterland, een gezellige autovrije boulevard met zitzakken, hangmatten, eettentjes en een fijne mix van nationale en internationale toeristen. 

Op een avond zaten we daar te eten toen er op het terras van het restaurant tumult ontstond: ‘baykuşbaykuş’ werd er geroepen. In het schemerdonker vloog een uil geruisloos over onze hoofden en landde op een lantarenpaal. Het was een bosuil, zag ik als doorgewinterde vogelaar. Wat er toen gebeurde, maakte blijvende indruk op mij en mijn gezin. Ongeveer de helft van de vakantiegangers pakte enthousiast de mobiele telefoon en begon de uil te fotograferen, de andere helft zocht stenen en bekogelde de vogel die natuurlijk onmiddellijk wegvluchtte.

Gebaseerd op fabels en bijgeloof, staan uilen enerzijds symbool voor het goede en de wijsheid, en anderzijds voor de dood en ander onheil. Verwondering (en respect) van de toeristen met hun mobieltjes tegenover angst (en agressie) van de stenengooiers – dat is misschien wel de ultieme tegenstelling die ten grondslag ligt aan onze omgang met de levende natuur.

Waar komt die angst toch vandaan? Zit het in onze genen? Stamt het nog uit de tijd dat we met stenen bijlen achter mammoeten aanjoegen terwijl er sabeltandkatten op de loer lagen? Of zijn het de media die ons in de nieuwsluwe zomermaanden de stuipen op het lijf jagen met verhalen over meeuwen die chihuahua’s opslokken, de eikenprocessierupsenjeuk, rennende reuzenteken en het verschrikkelijke draaigatje dat ons het leven zuur maakt? Nog even en dan stapt er weer en badgast in de rugvin van een pieterman (‘Ga niet in zee, ze zijn er weer!’), de limonadewespen zijn in aantocht (‘Niet drinken!’), vale gieren zeilen ons land binnen (‘Houd peuters binnen!’) en binnenkort krijgt een Veluwse veeboer geheid een knauw van een wolf. 

Oké, kijk uit voor teken in je bilnaad, mep irritante steekmuggen dood, maar zoek vooral de natuur op, en geniet. Ik heb het hier vaker geroepen: mensen die regelmatig een flinke portie natuur tot zich kunnen nemen, zijn geestelijk en lichamelijk gezonder dan mensen die dat moeten missen. Keukentrapjes en bijtgrage honden veroorzaken veel meer ellende dan de 39.732 soorten wilde dieren, planten, schimmels en slijmzwammen die de Nederlandse natuur rijk is. 

In Turkije is dat niet anders. Vanavond gaan we voor een kebab naar de boulevard en hopen op de terugkeer van de bosuil.

/

We botsen, keihard

Zondag 12 mei 2019 sprak ik in het radioprogramma Vroege Vogels de volgende column uit: [hij is hier binnenkort ook terug te luisteren]

Het kan de beste columnist overkomen: geen idee voor een onderwerp. Zelf heb ik ooit uit pure wanhoop een willekeurig boek met een interessante titel uit de museumbibliotheek getrokken – ‘De Zwarte Vliegen van Guatemala’ – en mezelf gedwongen daar een column uit te persen, uiteindelijk over genitale vorken bij kriebelmuggen. Maakt u zich geen zorgen, luisteraars, dat ik u nu ga vervelen met een verhaaltje over insectengeslachtsorganen. Nee, de actualiteit biedt inspiratie genoeg.
                  Neem die 343 gezonde zomereiken in de Achterhoek die de verkeersveiligheid in de weg staan en daarom gekapt moeten worden. Sommige van die bomen zijn anderhalve eeuw oud! Wie botst nu tegen wie? En wat dacht u van die arme beluga, de tamme witte walvis die in Noorwegen het gezelschap van zeevissers opzocht en een Russisch tuigje bleek te dragen, waarschijnlijk bestemd voor een spionagecamera. Ik dacht dat dit soort vormen van militaire dierenuitbuiting sinds het mislukken van het brandbomvleermuisexperiment wel waren uitgebannen. Nee dus.
                  Dan het nieuws over ‘Cor de Schijtende Scholekster’ uit het Brabantse Bladel. Deze steltloper kreeg grote bekendheid en het predicaat ‘modderfokker’ op social media door een suf bedrijvenparkje wat leven in te blazen met het verdrijven van zijn eigen spiegelbeeld dat reflecteert in een raam. Dat de schaduwbokser daarbij flink wat ontlasting achterlaat, droeg bij aan zijn populariteit: Cor heeft nu een eigen kledinglijn. Grappig, ja – maar de vogel levert een eindeloze en ongelijke strijd met keihard glas, en verliest tijd en energie om simpelweg te overleven.
                  Ook viel mijn oog op een wetenschappelijke publicatie over de vondsten van wilde dieren in voorverpakte verse salades. Met een beetje zoeken op internet vonden de onderzoekers alleen al in de Verenigde Staten in een periode van tien jaar veertig gevallen van dode kikkers, padden, slangen, hagedissen, vleermuizen, knaagdieren en vogels die in van die handige zakjes en bakjes terecht gekomen waren. Voor muizen moet je vooral uitkijken in zakken spinazie, voor boomkikkertjes in bakjes gemengde salade. Vreemd genoeg vonden ze minder beesten in onbespoten ‘organic’ salademengels dan in niet-biologisch geteeld groenvoer. Het geeft te denken, zeker als je weet dat lang niet iedereen aan de bel trekt als er een hagedis tussen de rucola zit.
                  Wat er deze week echt inhakt, is het 1800 pagina’s dikke rapport van het internationale biodiversiteitspanel IPBES. Stevig onderbouwd voorspelt het dat een miljoen planten- en diersoorten de komende decennia dreigen uit te sterven ten gevolge van (1) verwoesting van leefgebied, (2) directe exploitatie van de natuur, (3) klimaatverandering, (4) vervuiling van land, lucht en water, en (5) invasieve exoten. Mens en moeder natuur botsen, keihard. Daar kunnen de Achterhoekse eiken, de Russische witte walvis, Cor de Scholekster en de kikkers in de sla over meepraten, en wij straks ook.

Bronnen en nuttige verwijzingen zijn aanklikbaar in de tekst.

Geen pardon voor de eekhoorn

Zondag 24 februari 2019 sprak ik in het radioprogramma Vroege Vogels de volgende column uit: [hij is hier ook terug te luisteren]

Amerikaanse Rode Eekhoorn Bureau Stadsnatuur 29 januari 2019 (1)

Amerikaanse rode eekhoorn in het Kralingse Bos. (Garry Bakker)

Nog steeds ben ik een beetje opgewonden van het goede natuurnieuws van de laatste tijd. Ga maar na: al het insectenleven is niet binnen een eeuw van de aardbol verdwenen; op het Galapagoseiland Fernandina heeft de lokale reuzenschildpad (Chelonoidis phantastica) zich 113 jaar voor de mensheid verborgen weten te houden en is dus niet uitgestorven (er leeft welgeteld nog één vrouwtje); in Indonesië is de eveneens uitgestorven gewaande Molukse reuzenbehangersbij (Megachile pluto), herontdekt, en -tadaa! – in Rotterdam is in het Kralingse Bos na een afwezigheid van dik 20 jaar plotseling een eekhoorn opgedoken. 
                  Van dat laatste dierennieuwtje ging mijn hart echt sneller kloppen. Ik ben als Rotterdammer namelijk opgegroeid met en gevormd door het dierenleven van dat stadspark. Ik zocht en vond er kramsvogels, koperwieken, kuifmezen en kruisbekken, en onder de zoogdieren was de rode eekhoorn mijn favoriet. Ze aten er pinda’s uit je hand. Het voeren van die eekhoorntjes is voor vele Rotterdammers een onvergetelijke ervaring geweest. 
                  Mijn enthousiasme over de terugkeer van de eekhoorn was van korte duur. Ecologen van Bureau Stadsnatuur, die het Rotterdamse dierenleven nauwgezet in kaart brengen, kregen hem scherp in beeld en concludeerden dat het een Amerikaanse rode eekhoorn was – Tamiasciurus hudsonicus, een exoot die moedwillig in het bos moet zijn losgelaten.
                  De geschiedenis had zich herhaald, maar dan met de foute soort. Twee jaar nadat ‘de Kralingerhout’ in 1953 officieel werd geopend zaten er al rode eekhoorns, terwijl het natuurlijke verspreidingsgebied van die soort zich ook toen al beperkte tot de bosrijke zandgronden en de Hollandse duinstreek. Iemand moet gedacht hebben ‘wat is een bos zonder eekhoorns’ en heeft er vervolgens een kooitje met die knaagdieren opengezet. Na een kleine halve eeuw is die populatie vermoedelijk door inteelt uitgestorven, op een plaats waar ze eigenlijk niet thuishoorden. Zo gaat dat in de natuur.
                  En nu zorgt die exotische eekhoorn voor discussie. Geholpen door de aaibaarheid van het knaagdier zijn er Rotterdammers die fel pleiten voor een ‘eekhoornpardon’, anderen zijn voor de wettelijke gedwongen uitzetting. Hoewel ik zelf niet in het anti-exoten kamp zit, zeg ik wel ‘weg met die eekhoorn!’. Niet omdat hij het ecosysteem van het bos zal verstoren, maar simpelweg omdat het een beestje uit de dierenwinkel is die daar moedwillig is losgelaten. Het kost de planten- en dierenwereld al genoeg moeite om in evenwicht te komen met invasieve exoten die zonder directe hulp van mensen de boel verstoren. Door deze eekhoorn op een voetstuk te plaatsen, stimuleer je anderen om ook kooitjes met wat voor soort gedierte dan ook open te zetten. Dat mag niet en dat doe je niet, met geen enkel dier.

Google-vogelen

Zondag 9 december 2018 sprak ik in het radioprogramma Vroege Vogels de volgende column uit: [hij is hier ook terug te luisteren]

Bijna hand in hand met het verschijnen van de vuistdikke Vogelatlas, kwamen Sovon Vogelonderzoek Nederland en het Centraal Bureau voor de Statistiek afgelopen vrijdag ook met een loodzware boodschap: ‘Stadse broedvogels zijn als groep sinds 1990 met meer dan de helft achteruitgegaan.’ Het gaat om twintig soorten die langdurig en nauwkeurig geteld zijn, uiteenlopend van zwarte roodstaart tot houtduif. Geen van die soorten doet het in de stad beter dan in het buitengebied. Alleen met de huiszwaluw gaat het goed, karakteristieke huis-tuin-en-keuken soorten als spreeuw, huismus en gierzwaluw zijn in aantal afgenomen. De kuifleeuwerik is zelfs compleet verdwenen.

Dat is zorgwekkend nieuws, niet alleen voor vogels maar ook voor mensen. Steden worden groter, er wonen steeds meer mensen, en juist met de echte mensenvrienden onder de vogels gaat het slecht. Ik heb het hier vaker geroepen: het is de hoogste tijd dat we steden niet alleen behandelen als leefgebied voor mensen, maar ook voor planten en dieren.

Zeker ook omdat de wilde natuur onder druk staat. Biologen ontdekten dat in Braziliaanse bossen waar mobiel telefoonbereik is, beduidend minder zoogdiersoorten voorkomen dan in bossen waar de smartphone geen bereik heeft. Toen ze daarna de wereldwijde verspreiding van dik 23 miljoen GSM-zendmasten in kaart brachten, bleek dat mooi samen te vallen met gebieden waar de Human Footprint – zeg maar de mate waarin wij onze planeet vertrappen – maximaal is.

kraai_googleU kunt dus zelf bepalen, met uw mobiele telefoon, hoe het met natuur en milieu is gesteld. Prima bij minder dan één streepje bereik, belabberd als u kunt u bellen en verbinding met internet heeft. Heeft u optimaal bereik, dan heeft dat wel als voordeel dat u kunt meedoen aan de allernieuwste trend op het gebied van natuurgenot. Ik heb het over vogels kijken op Google Street View – de tot gigantische proporties uitgegroeide verzameling panoramafoto’s die je via het computerprogramma Google Maps in alle hoeken en gaten kunt bekijken. Je hebt er niet alleen onbeperkte toegang tot straten en pleinen, maar ook bergtoppen, bospaden, rivierbeddingen en woestijnen op alle continenten. En vogels zijn natuurlijk overal. Ze zijn ongemerkt vereeuwigd op paaltjes, elektriciteitsdraden, voedertafels, boomtakken en in de lucht.

De meeste vogels die Street View Birders zien zijn meeuwen, reigers en stadsduiven, maar er zijn ook waarnemingen van condors in de Andes, een kolibrie in Alaska, een zeldzame rode tiran op een Galapagos-eiland en pinguïns op Antarctica. Een groeiende club van momenteel 750 waarnemers heeft al 580 vogelsoorten afgetikt, dat is ongeveer vijf procent van alle vogelsoorten die onze planeet rijk is. Probeer het maar eens. Het bespaart u lange vliegreizen, 7 euro vliegtaks, benzine en vermindert uw eigen ecologische voetafdruk. Zoek vooral in steden en doe het snel. Wanneer Google de straatbeelden ververst, zullen er minder vogels te zien zijn.

Nuttige bronnen zijn aanklikbaar in de tekst