De verrekijker 2.0

Zondag 23 februari 2020 sprak ik in het radioprogramma Vroege Vogels de volgende column uit: [hij is hier ook terug te luisteren]

In plaats van hier voor de microfoon te zitten, beste luisteraars, zoek ik op zondagochtend eigenlijk het liefst mijn topmodellen op. Dat gaat vandaag niet meer lukken, maar ze wachten geduldig tot ik ze uit het zachte kalfsleer rits. De geur van rijke oliën en leren riempjes, het fijne reliëf van de huid, de harde, strakke lijnen of juist de wulpse rondingen winden me op. Ja, mijn verrekijkerverzameling is me dierbaar.

Ik heb er bijna honderd en specialiseer me in modellen van de Duitse topmerken Leitz en Zeiss, gefabriceerd vanaf mijn geboortejaar 1960. Het zijn wondertjes van optische en mechanische techniek die ik, hoewel sommigen meer dan een halve eeuw oud, intensief gebruik. Voor vogels kijken in een donker bos is de 7×42 ideaal, in de polder en langs de kust zweer ik bij de 10×40, en in de stad heb ik altijd een compacte, opvouwbare 10×25 in mijn jaszak. Bij zwaar weer neem ik er een waarmee je zelfs kan snorkelen.

Hoewel militairen, spionnen en zeevarenden het nut van verrekijkers al vroeg door hadden, heeft het opmerkelijk lang geduurd voordat het optische hulpmiddel ook bij de vogelstudie werd gebruikt. In 1889 verscheen weliswaar in de Verenigde Staten het boekje ‘Birds through an opera-glass’, maar denk nu niet dat vroege vogelkundigen met een toneelkijkertje het veld in gingen. Nee, zij pakten het geweer als ze wilde weten wat er rondvloog. De eerste serieuze vogelstudies waarbij verrekijkers gebruikt werden, zijn nog maar een eeuw oud en pas toen er relatief goedkope Japanse prismakijkers op de markt kwamen, nam het hobbyvogelen een vlucht. De Duitse kwaliteitsoptiek was toen slechts weggelegd voor vogelende notabelen. Mijn eerste verrekijker was een ‘Primax’, een loodzware 7×50, bij elkaar gespaard met auto’s wassen.

De verrekijker is de levensgezel van de vogelaar. Samen met het vogelboek, de boterham-met-pindakaas, een thermosfles koffie en een platvink single malt is het een ijzersterke combinatie die in elk geval mij veel natuurgenot heeft gebracht. Kijken, bladeren, slok koffie, vergelijken, beter kijken, bladeren. Het zijn dierbare momenten op een duintop, maar die intieme, individuele natuurbeleving gaat verdwijnen.

Afgelopen week kondigde de Oostenrijkse fabrikant van hoogwaardige optische apparatuur Swarovski het nieuwe vogelen aan met de dG die vanaf 1 april verkrijgbaar is. Het is een soort 8×25 verrekijker met een ingebouwde 13-megapixel camera én wifi-hotspot waarmee je dankzij een beproefde identificatie app onmiddellijk op je smartphone ziet welke vogelsoort je in beeld hebt. Andere hippe vogelaars in de buurt kunnen de live stream volgen, en met nog een druk op de knop deel je de waarneming op social media. Ik heb het voor u nog even nagevraagd in Tirol: het is géén grap. De verrekijker 2.0 komt er aan!

Nuttige links en bronnen aanklikbaar in de tekst

           

           

Red de houtsnip!

Zondag 10 november 2019 sprak ik in het radioprogramma Vroege Vogels de volgende column uit:

Als ik één vogel associeer met het najaar is dat de houtsnip. Dat heeft twee redenen. De eerste is het verenkleed van de steltloper – werkelijk prachtig uitgevoerd in alle mogelijke herfsttinten. Het samenspel van de kleuren bruin, zwart en grijs is zodanig dat elke met zorg samengestelde herfsttafel er bij verbleekt. De tweede reden is de najaarstrek. Precies nu, in de eerste twee weken van november, is die op zijn hoogtepunt en trekken er duizenden door ons land. Ze komen uit Scandinavië en Oost-Europa, sommigen van ver achter de Oeral, en zijn onderweg naar Frankrijk, Engeland en Spanje om te overwinteren. Hoewel de houtsnip in zijn broedgebied een schuwe bewoner van bossen is die pas in het schemerdonker actief wordt, is de kans groot dat u er dit najaar midden op de dag een ziet of heeft gezien – vooral als u in een grote stad woont. De kans is ook groot dat die houtsnip dood was.

Dat zit zo. Ze trekken ’s-nachts en worden door het licht dat nooit dooft steden ingezogen. Wanneer de dag aanbreekt en de vogels vliegend een veilig heenkomen zoeken, blijkt dat ze niet aangepast zijn aan het leven in de stad. Hun ogen staan opvallend ver naar achteren. Dat is een prettige aanpassing voor een op bosgrond broedende vogel – dan zie je zonder je kop te bewegen roofvijanden van alle kanten aankomen. Maar helaas is recht vooruit het zicht van de houtsnip ronduit slecht. In de stad vliegen ze zich daardoor vroeg of laat dood, tegen etalageruiten, glazen gevels, in portieken en bushokjes.

Afgelopen vrijdag bracht een bezoeker van het Natuurhistorisch Museum een gecrashte houtsnip binnen: “Een soort grutto, hiernaast tegen het gebouw geknald!” zei de man omringd door zijn zichtbaar geschokte gezin. Ik pakte de vogel aan. Hij keek nog kwiek uit zijn grote zwarte ogen, maar het kopje hing al een beetje scheef. Geen goed teken. Binnen een uur was hij dood. Weer een houtsnip minder.

Wereldwijd sterven jaarlijks miljarden vogels door botsingen met glazen gebouwen en andere doorzichtige of spiegelende structuren. De oplossing – niet meer bouwen met glas, maar natuurinclusief – vergt een mentaliteitsverandering bij architecten en stedenbouwkundigen die slechts langzaam indaalt. Lokaal zijn er snelle successen te boeken. Zo bleek uit een recent onderzoek in Polen, waar zich jaarlijks ongeveer een miljoen vogels tegen glazen bushokjes te pletter vliegen, dat bushokjes waarvan de ruiten (clandestien) van graffiti-schilderingen waren voorzien veel minder raamslachtoffers eisten dan brandschone hokjes. Tegen bushaltes waarvan het glas én bespoten én vuil (niet gezeemd) was, botsten nauwelijks vogels.

Lieve luisteraars van Vroege Vogels als jullie nu allemaal in je eigen buurt een glazen bushokje met een spuitbus onder handen nemen, dan gaat dat veel raamslachtoffers schelen. Ook de houtsnip is jullie dankbaar.

Stenen voor een bosuil

Voor de uitzending van het radioprogramma Vroege Vogels van zondag 28 juli 2019 schreef en sprak ik onderstaande column uit (hij is hier ook terug te luisteren):

Luisteraars, tegen mijn gewoonte in zit ik niet live achter de microfoon om deze column voor te dragen, maar praat ik in een opnameapparaat. Wanneer u dit hoort, ben ik namelijk met vakantie langs de westkust van Turkije. Bij de keuze van die bestemming speelden mijn kinderen een grote rol, want zij wilden wel weer eens ‘naar dat land met die uil’. Dat zit zo. Vijf jaar geleden waren we er ook, in een badplaatsje niet ver van Bodrum, zonder hoogbouw, met olijfboomgaarden in het achterland, een gezellige autovrije boulevard met zitzakken, hangmatten, eettentjes en een fijne mix van nationale en internationale toeristen. 

Op een avond zaten we daar te eten toen er op het terras van het restaurant tumult ontstond: ‘baykuşbaykuş’ werd er geroepen. In het schemerdonker vloog een uil geruisloos over onze hoofden en landde op een lantarenpaal. Het was een bosuil, zag ik als doorgewinterde vogelaar. Wat er toen gebeurde, maakte blijvende indruk op mij en mijn gezin. Ongeveer de helft van de vakantiegangers pakte enthousiast de mobiele telefoon en begon de uil te fotograferen, de andere helft zocht stenen en bekogelde de vogel die natuurlijk onmiddellijk wegvluchtte.

Gebaseerd op fabels en bijgeloof, staan uilen enerzijds symbool voor het goede en de wijsheid, en anderzijds voor de dood en ander onheil. Verwondering (en respect) van de toeristen met hun mobieltjes tegenover angst (en agressie) van de stenengooiers – dat is misschien wel de ultieme tegenstelling die ten grondslag ligt aan onze omgang met de levende natuur.

Waar komt die angst toch vandaan? Zit het in onze genen? Stamt het nog uit de tijd dat we met stenen bijlen achter mammoeten aanjoegen terwijl er sabeltandkatten op de loer lagen? Of zijn het de media die ons in de nieuwsluwe zomermaanden de stuipen op het lijf jagen met verhalen over meeuwen die chihuahua’s opslokken, de eikenprocessierupsenjeuk, rennende reuzenteken en het verschrikkelijke draaigatje dat ons het leven zuur maakt? Nog even en dan stapt er weer en badgast in de rugvin van een pieterman (‘Ga niet in zee, ze zijn er weer!’), de limonadewespen zijn in aantocht (‘Niet drinken!’), vale gieren zeilen ons land binnen (‘Houd peuters binnen!’) en binnenkort krijgt een Veluwse veeboer geheid een knauw van een wolf. 

Oké, kijk uit voor teken in je bilnaad, mep irritante steekmuggen dood, maar zoek vooral de natuur op, en geniet. Ik heb het hier vaker geroepen: mensen die regelmatig een flinke portie natuur tot zich kunnen nemen, zijn geestelijk en lichamelijk gezonder dan mensen die dat moeten missen. Keukentrapjes en bijtgrage honden veroorzaken veel meer ellende dan de 39.732 soorten wilde dieren, planten, schimmels en slijmzwammen die de Nederlandse natuur rijk is. 

In Turkije is dat niet anders. Vanavond gaan we voor een kebab naar de boulevard en hopen op de terugkeer van de bosuil.

/

We botsen, keihard

Zondag 12 mei 2019 sprak ik in het radioprogramma Vroege Vogels de volgende column uit: [hij is hier binnenkort ook terug te luisteren]

Het kan de beste columnist overkomen: geen idee voor een onderwerp. Zelf heb ik ooit uit pure wanhoop een willekeurig boek met een interessante titel uit de museumbibliotheek getrokken – ‘De Zwarte Vliegen van Guatemala’ – en mezelf gedwongen daar een column uit te persen, uiteindelijk over genitale vorken bij kriebelmuggen. Maakt u zich geen zorgen, luisteraars, dat ik u nu ga vervelen met een verhaaltje over insectengeslachtsorganen. Nee, de actualiteit biedt inspiratie genoeg.
                  Neem die 343 gezonde zomereiken in de Achterhoek die de verkeersveiligheid in de weg staan en daarom gekapt moeten worden. Sommige van die bomen zijn anderhalve eeuw oud! Wie botst nu tegen wie? En wat dacht u van die arme beluga, de tamme witte walvis die in Noorwegen het gezelschap van zeevissers opzocht en een Russisch tuigje bleek te dragen, waarschijnlijk bestemd voor een spionagecamera. Ik dacht dat dit soort vormen van militaire dierenuitbuiting sinds het mislukken van het brandbomvleermuisexperiment wel waren uitgebannen. Nee dus.
                  Dan het nieuws over ‘Cor de Schijtende Scholekster’ uit het Brabantse Bladel. Deze steltloper kreeg grote bekendheid en het predicaat ‘modderfokker’ op social media door een suf bedrijvenparkje wat leven in te blazen met het verdrijven van zijn eigen spiegelbeeld dat reflecteert in een raam. Dat de schaduwbokser daarbij flink wat ontlasting achterlaat, droeg bij aan zijn populariteit: Cor heeft nu een eigen kledinglijn. Grappig, ja – maar de vogel levert een eindeloze en ongelijke strijd met keihard glas, en verliest tijd en energie om simpelweg te overleven.
                  Ook viel mijn oog op een wetenschappelijke publicatie over de vondsten van wilde dieren in voorverpakte verse salades. Met een beetje zoeken op internet vonden de onderzoekers alleen al in de Verenigde Staten in een periode van tien jaar veertig gevallen van dode kikkers, padden, slangen, hagedissen, vleermuizen, knaagdieren en vogels die in van die handige zakjes en bakjes terecht gekomen waren. Voor muizen moet je vooral uitkijken in zakken spinazie, voor boomkikkertjes in bakjes gemengde salade. Vreemd genoeg vonden ze minder beesten in onbespoten ‘organic’ salademengels dan in niet-biologisch geteeld groenvoer. Het geeft te denken, zeker als je weet dat lang niet iedereen aan de bel trekt als er een hagedis tussen de rucola zit.
                  Wat er deze week echt inhakt, is het 1800 pagina’s dikke rapport van het internationale biodiversiteitspanel IPBES. Stevig onderbouwd voorspelt het dat een miljoen planten- en diersoorten de komende decennia dreigen uit te sterven ten gevolge van (1) verwoesting van leefgebied, (2) directe exploitatie van de natuur, (3) klimaatverandering, (4) vervuiling van land, lucht en water, en (5) invasieve exoten. Mens en moeder natuur botsen, keihard. Daar kunnen de Achterhoekse eiken, de Russische witte walvis, Cor de Scholekster en de kikkers in de sla over meepraten, en wij straks ook.

Bronnen en nuttige verwijzingen zijn aanklikbaar in de tekst.

Geen pardon voor de eekhoorn

Zondag 24 februari 2019 sprak ik in het radioprogramma Vroege Vogels de volgende column uit: [hij is hier ook terug te luisteren]

Amerikaanse Rode Eekhoorn Bureau Stadsnatuur 29 januari 2019 (1)

Amerikaanse rode eekhoorn in het Kralingse Bos. (Garry Bakker)

Nog steeds ben ik een beetje opgewonden van het goede natuurnieuws van de laatste tijd. Ga maar na: al het insectenleven is niet binnen een eeuw van de aardbol verdwenen; op het Galapagoseiland Fernandina heeft de lokale reuzenschildpad (Chelonoidis phantastica) zich 113 jaar voor de mensheid verborgen weten te houden en is dus niet uitgestorven (er leeft welgeteld nog één vrouwtje); in Indonesië is de eveneens uitgestorven gewaande Molukse reuzenbehangersbij (Megachile pluto), herontdekt, en -tadaa! – in Rotterdam is in het Kralingse Bos na een afwezigheid van dik 20 jaar plotseling een eekhoorn opgedoken. 
                  Van dat laatste dierennieuwtje ging mijn hart echt sneller kloppen. Ik ben als Rotterdammer namelijk opgegroeid met en gevormd door het dierenleven van dat stadspark. Ik zocht en vond er kramsvogels, koperwieken, kuifmezen en kruisbekken, en onder de zoogdieren was de rode eekhoorn mijn favoriet. Ze aten er pinda’s uit je hand. Het voeren van die eekhoorntjes is voor vele Rotterdammers een onvergetelijke ervaring geweest. 
                  Mijn enthousiasme over de terugkeer van de eekhoorn was van korte duur. Ecologen van Bureau Stadsnatuur, die het Rotterdamse dierenleven nauwgezet in kaart brengen, kregen hem scherp in beeld en concludeerden dat het een Amerikaanse rode eekhoorn was – Tamiasciurus hudsonicus, een exoot die moedwillig in het bos moet zijn losgelaten.
                  De geschiedenis had zich herhaald, maar dan met de foute soort. Twee jaar nadat ‘de Kralingerhout’ in 1953 officieel werd geopend zaten er al rode eekhoorns, terwijl het natuurlijke verspreidingsgebied van die soort zich ook toen al beperkte tot de bosrijke zandgronden en de Hollandse duinstreek. Iemand moet gedacht hebben ‘wat is een bos zonder eekhoorns’ en heeft er vervolgens een kooitje met die knaagdieren opengezet. Na een kleine halve eeuw is die populatie vermoedelijk door inteelt uitgestorven, op een plaats waar ze eigenlijk niet thuishoorden. Zo gaat dat in de natuur.
                  En nu zorgt die exotische eekhoorn voor discussie. Geholpen door de aaibaarheid van het knaagdier zijn er Rotterdammers die fel pleiten voor een ‘eekhoornpardon’, anderen zijn voor de wettelijke gedwongen uitzetting. Hoewel ik zelf niet in het anti-exoten kamp zit, zeg ik wel ‘weg met die eekhoorn!’. Niet omdat hij het ecosysteem van het bos zal verstoren, maar simpelweg omdat het een beestje uit de dierenwinkel is die daar moedwillig is losgelaten. Het kost de planten- en dierenwereld al genoeg moeite om in evenwicht te komen met invasieve exoten die zonder directe hulp van mensen de boel verstoren. Door deze eekhoorn op een voetstuk te plaatsen, stimuleer je anderen om ook kooitjes met wat voor soort gedierte dan ook open te zetten. Dat mag niet en dat doe je niet, met geen enkel dier.

Google-vogelen

Zondag 9 december 2018 sprak ik in het radioprogramma Vroege Vogels de volgende column uit: [hij is hier ook terug te luisteren]

Bijna hand in hand met het verschijnen van de vuistdikke Vogelatlas, kwamen Sovon Vogelonderzoek Nederland en het Centraal Bureau voor de Statistiek afgelopen vrijdag ook met een loodzware boodschap: ‘Stadse broedvogels zijn als groep sinds 1990 met meer dan de helft achteruitgegaan.’ Het gaat om twintig soorten die langdurig en nauwkeurig geteld zijn, uiteenlopend van zwarte roodstaart tot houtduif. Geen van die soorten doet het in de stad beter dan in het buitengebied. Alleen met de huiszwaluw gaat het goed, karakteristieke huis-tuin-en-keuken soorten als spreeuw, huismus en gierzwaluw zijn in aantal afgenomen. De kuifleeuwerik is zelfs compleet verdwenen.

Dat is zorgwekkend nieuws, niet alleen voor vogels maar ook voor mensen. Steden worden groter, er wonen steeds meer mensen, en juist met de echte mensenvrienden onder de vogels gaat het slecht. Ik heb het hier vaker geroepen: het is de hoogste tijd dat we steden niet alleen behandelen als leefgebied voor mensen, maar ook voor planten en dieren.

Zeker ook omdat de wilde natuur onder druk staat. Biologen ontdekten dat in Braziliaanse bossen waar mobiel telefoonbereik is, beduidend minder zoogdiersoorten voorkomen dan in bossen waar de smartphone geen bereik heeft. Toen ze daarna de wereldwijde verspreiding van dik 23 miljoen GSM-zendmasten in kaart brachten, bleek dat mooi samen te vallen met gebieden waar de Human Footprint – zeg maar de mate waarin wij onze planeet vertrappen – maximaal is.

kraai_googleU kunt dus zelf bepalen, met uw mobiele telefoon, hoe het met natuur en milieu is gesteld. Prima bij minder dan één streepje bereik, belabberd als u kunt u bellen en verbinding met internet heeft. Heeft u optimaal bereik, dan heeft dat wel als voordeel dat u kunt meedoen aan de allernieuwste trend op het gebied van natuurgenot. Ik heb het over vogels kijken op Google Street View – de tot gigantische proporties uitgegroeide verzameling panoramafoto’s die je via het computerprogramma Google Maps in alle hoeken en gaten kunt bekijken. Je hebt er niet alleen onbeperkte toegang tot straten en pleinen, maar ook bergtoppen, bospaden, rivierbeddingen en woestijnen op alle continenten. En vogels zijn natuurlijk overal. Ze zijn ongemerkt vereeuwigd op paaltjes, elektriciteitsdraden, voedertafels, boomtakken en in de lucht.

De meeste vogels die Street View Birders zien zijn meeuwen, reigers en stadsduiven, maar er zijn ook waarnemingen van condors in de Andes, een kolibrie in Alaska, een zeldzame rode tiran op een Galapagos-eiland en pinguïns op Antarctica. Een groeiende club van momenteel 750 waarnemers heeft al 580 vogelsoorten afgetikt, dat is ongeveer vijf procent van alle vogelsoorten die onze planeet rijk is. Probeer het maar eens. Het bespaart u lange vliegreizen, 7 euro vliegtaks, benzine en vermindert uw eigen ecologische voetafdruk. Zoek vooral in steden en doe het snel. Wanneer Google de straatbeelden ververst, zullen er minder vogels te zien zijn.

Nuttige bronnen zijn aanklikbaar in de tekst

Kijk naar vogels!

Zondag 26 augustus 2018 sprak ik in het radioprogramma Vroege Vogels de volgende column uit: [hij is hier ook terug te luisteren]

madurodam_watch_out_for_birds-2018Terwijl ik afgelopen week alweer volop aan het werk was, hadden mijn kinderen nog schoolvakantie. Om hun blik op de wereld te vergroten, was mijn vrouw zo lief om met de kids naar Madurodam te gaan, waar ze ontdekten ‘waar het kleine Nederland groot in is’. Om mij toch nog een beetje bij dit gezinsuitstapje te betrekken, hielden ze mij via WhatsApp op de hoogte. Na het appje van 12:58 uur – een foto – had ik onmiddellijk spijt dat ik geen snipperdag genomen had. Bij de kassa van het panoramarestaurant stond namelijk een bordje met de tekst ‘Watch out for birds!’. Dat bleek geen aanbeveling om vogels te gaan kijken, maar de waarschuwing ‘Pas op voor vogels!’. Met ‘birds’ werden meeuwen bedoeld, want die beroofden op het terras in korte tijd twee nietsvermoedende toeristen van appelflap en hotdog. Zilvermeeuwen waren het, zag ik op de foto’s die binnenstroomden.

Het is nogal wat om voor de hele vogelwereld te waarschuwen, terwijl alleen meeuwen zich misdragen. En waar gaat het nu helemaal over? De meeuwen gaan net als wij voor de snelle, vette hap. Waarom moeilijk doen als het makkelijk kan? Afgelopen mei liftte een Californische meeuw (uitgerust met een zendertje) meerdere keren 240 kilometer mee op een vuilniswagen om zich bij een compostfabriek vol te vreten. Dat is net als het roven van een hotdog een enorme energiebesparing, waar alle vogels uiteindelijk naar streven.

Ik zie steeds meer van die ‘pas op’ borden, voor meeuwen, buizerds, kraaien. Straks moeten we ook nog oppassen voor mussen! Waar komt die angst voor vogels toch vandaan? Was het Alfred Hitchcock met zijn film The Birds, of de dolgedraaide oehoe van Purmerend? Hoewel de gevallen van steenarenden die zuigelingen uit kinderwagens stelen broodje-aap-verhalen zijn, is de kroonarend uit Afrika gespecialiseerd in het vangen van mensapen en zijn er menskinderschedels in kroonarendnesten gevonden. Zelfs de beroemde fossiele schedel van het Taung-kind, het type van de oermens Australopithecus africanus, de in 1925 ontdekte ‘ontbrekende schakel’ tussen aap en mens, vertoont gaten en andere sporen die veroorzaakt zijn door een roofvogelklauw. Misschien zit de vogelangst daarom nog wel in onze genen.

De waarschuwingen voor vogels die mensen lastig vallen vliegen je om de oren. De website magpiealert.com registreert waar de nummer 1 ‘Angry Bird’ van Australië, de zwartrugfluitvogel, zijn territorium tegen mensen verdedigt, en op de Crow Attack Tracker kunnen inwoners van Vancouver een kraai-veilige route uitstippelen. Overdreven vind ik dat. Vogels zien mensen simpelweg als onderdeel van hun verstedelijkte leefgebied en reageren daar hetzelfde op als op elk ander gevaar, en pikken ook een graantje van ons voedsel mee.

In plaats van ‘Watch out for birds!’ zeg ik ‘Watch birds!’ – Kijk naar vogels! Ga zitten op een terras met een hotdog of appelflap op een bordje en neem de kans waar om een zilvermeeuw van dichtbij te bekijken. Kijk eens in de priemende ogen, let op de kleur van de oogring, zie en hoor hoe ze op soortgenoten reageren. Geloof me, de kans is groot dat je steeds vaker naar vogels gaat kijken en de ‘pas op’ waarschuwingen negeert.

Nuttige bronnen, zijn aanklikbaar in de tekst.