De verrekijker 2.0

Zondag 23 februari 2020 sprak ik in het radioprogramma Vroege Vogels de volgende column uit: [hij is hier ook terug te luisteren]

In plaats van hier voor de microfoon te zitten, beste luisteraars, zoek ik op zondagochtend eigenlijk het liefst mijn topmodellen op. Dat gaat vandaag niet meer lukken, maar ze wachten geduldig tot ik ze uit het zachte kalfsleer rits. De geur van rijke oliën en leren riempjes, het fijne reliëf van de huid, de harde, strakke lijnen of juist de wulpse rondingen winden me op. Ja, mijn verrekijkerverzameling is me dierbaar.

Ik heb er bijna honderd en specialiseer me in modellen van de Duitse topmerken Leitz en Zeiss, gefabriceerd vanaf mijn geboortejaar 1960. Het zijn wondertjes van optische en mechanische techniek die ik, hoewel sommigen meer dan een halve eeuw oud, intensief gebruik. Voor vogels kijken in een donker bos is de 7×42 ideaal, in de polder en langs de kust zweer ik bij de 10×40, en in de stad heb ik altijd een compacte, opvouwbare 10×25 in mijn jaszak. Bij zwaar weer neem ik er een waarmee je zelfs kan snorkelen.

Hoewel militairen, spionnen en zeevarenden het nut van verrekijkers al vroeg door hadden, heeft het opmerkelijk lang geduurd voordat het optische hulpmiddel ook bij de vogelstudie werd gebruikt. In 1889 verscheen weliswaar in de Verenigde Staten het boekje ‘Birds through an opera-glass’, maar denk nu niet dat vroege vogelkundigen met een toneelkijkertje het veld in gingen. Nee, zij pakten het geweer als ze wilde weten wat er rondvloog. De eerste serieuze vogelstudies waarbij verrekijkers gebruikt werden, zijn nog maar een eeuw oud en pas toen er relatief goedkope Japanse prismakijkers op de markt kwamen, nam het hobbyvogelen een vlucht. De Duitse kwaliteitsoptiek was toen slechts weggelegd voor vogelende notabelen. Mijn eerste verrekijker was een ‘Primax’, een loodzware 7×50, bij elkaar gespaard met auto’s wassen.

De verrekijker is de levensgezel van de vogelaar. Samen met het vogelboek, de boterham-met-pindakaas, een thermosfles koffie en een platvink single malt is het een ijzersterke combinatie die in elk geval mij veel natuurgenot heeft gebracht. Kijken, bladeren, slok koffie, vergelijken, beter kijken, bladeren. Het zijn dierbare momenten op een duintop, maar die intieme, individuele natuurbeleving gaat verdwijnen.

Afgelopen week kondigde de Oostenrijkse fabrikant van hoogwaardige optische apparatuur Swarovski het nieuwe vogelen aan met de dG die vanaf 1 april verkrijgbaar is. Het is een soort 8×25 verrekijker met een ingebouwde 13-megapixel camera én wifi-hotspot waarmee je dankzij een beproefde identificatie app onmiddellijk op je smartphone ziet welke vogelsoort je in beeld hebt. Andere hippe vogelaars in de buurt kunnen de live stream volgen, en met nog een druk op de knop deel je de waarneming op social media. Ik heb het voor u nog even nagevraagd in Tirol: het is géén grap. De verrekijker 2.0 komt er aan!

Nuttige links en bronnen aanklikbaar in de tekst

           

           

Red de houtsnip!

Zondag 10 november 2019 sprak ik in het radioprogramma Vroege Vogels de volgende column uit:

Als ik één vogel associeer met het najaar is dat de houtsnip. Dat heeft twee redenen. De eerste is het verenkleed van de steltloper – werkelijk prachtig uitgevoerd in alle mogelijke herfsttinten. Het samenspel van de kleuren bruin, zwart en grijs is zodanig dat elke met zorg samengestelde herfsttafel er bij verbleekt. De tweede reden is de najaarstrek. Precies nu, in de eerste twee weken van november, is die op zijn hoogtepunt en trekken er duizenden door ons land. Ze komen uit Scandinavië en Oost-Europa, sommigen van ver achter de Oeral, en zijn onderweg naar Frankrijk, Engeland en Spanje om te overwinteren. Hoewel de houtsnip in zijn broedgebied een schuwe bewoner van bossen is die pas in het schemerdonker actief wordt, is de kans groot dat u er dit najaar midden op de dag een ziet of heeft gezien – vooral als u in een grote stad woont. De kans is ook groot dat die houtsnip dood was.

Dat zit zo. Ze trekken ’s-nachts en worden door het licht dat nooit dooft steden ingezogen. Wanneer de dag aanbreekt en de vogels vliegend een veilig heenkomen zoeken, blijkt dat ze niet aangepast zijn aan het leven in de stad. Hun ogen staan opvallend ver naar achteren. Dat is een prettige aanpassing voor een op bosgrond broedende vogel – dan zie je zonder je kop te bewegen roofvijanden van alle kanten aankomen. Maar helaas is recht vooruit het zicht van de houtsnip ronduit slecht. In de stad vliegen ze zich daardoor vroeg of laat dood, tegen etalageruiten, glazen gevels, in portieken en bushokjes.

Afgelopen vrijdag bracht een bezoeker van het Natuurhistorisch Museum een gecrashte houtsnip binnen: “Een soort grutto, hiernaast tegen het gebouw geknald!” zei de man omringd door zijn zichtbaar geschokte gezin. Ik pakte de vogel aan. Hij keek nog kwiek uit zijn grote zwarte ogen, maar het kopje hing al een beetje scheef. Geen goed teken. Binnen een uur was hij dood. Weer een houtsnip minder.

Wereldwijd sterven jaarlijks miljarden vogels door botsingen met glazen gebouwen en andere doorzichtige of spiegelende structuren. De oplossing – niet meer bouwen met glas, maar natuurinclusief – vergt een mentaliteitsverandering bij architecten en stedenbouwkundigen die slechts langzaam indaalt. Lokaal zijn er snelle successen te boeken. Zo bleek uit een recent onderzoek in Polen, waar zich jaarlijks ongeveer een miljoen vogels tegen glazen bushokjes te pletter vliegen, dat bushokjes waarvan de ruiten (clandestien) van graffiti-schilderingen waren voorzien veel minder raamslachtoffers eisten dan brandschone hokjes. Tegen bushaltes waarvan het glas én bespoten én vuil (niet gezeemd) was, botsten nauwelijks vogels.

Lieve luisteraars van Vroege Vogels als jullie nu allemaal in je eigen buurt een glazen bushokje met een spuitbus onder handen nemen, dan gaat dat veel raamslachtoffers schelen. Ook de houtsnip is jullie dankbaar.

Stenen voor een bosuil

Voor de uitzending van het radioprogramma Vroege Vogels van zondag 28 juli 2019 schreef en sprak ik onderstaande column uit (hij is hier ook terug te luisteren):

Luisteraars, tegen mijn gewoonte in zit ik niet live achter de microfoon om deze column voor te dragen, maar praat ik in een opnameapparaat. Wanneer u dit hoort, ben ik namelijk met vakantie langs de westkust van Turkije. Bij de keuze van die bestemming speelden mijn kinderen een grote rol, want zij wilden wel weer eens ‘naar dat land met die uil’. Dat zit zo. Vijf jaar geleden waren we er ook, in een badplaatsje niet ver van Bodrum, zonder hoogbouw, met olijfboomgaarden in het achterland, een gezellige autovrije boulevard met zitzakken, hangmatten, eettentjes en een fijne mix van nationale en internationale toeristen. 

Op een avond zaten we daar te eten toen er op het terras van het restaurant tumult ontstond: ‘baykuşbaykuş’ werd er geroepen. In het schemerdonker vloog een uil geruisloos over onze hoofden en landde op een lantarenpaal. Het was een bosuil, zag ik als doorgewinterde vogelaar. Wat er toen gebeurde, maakte blijvende indruk op mij en mijn gezin. Ongeveer de helft van de vakantiegangers pakte enthousiast de mobiele telefoon en begon de uil te fotograferen, de andere helft zocht stenen en bekogelde de vogel die natuurlijk onmiddellijk wegvluchtte.

Gebaseerd op fabels en bijgeloof, staan uilen enerzijds symbool voor het goede en de wijsheid, en anderzijds voor de dood en ander onheil. Verwondering (en respect) van de toeristen met hun mobieltjes tegenover angst (en agressie) van de stenengooiers – dat is misschien wel de ultieme tegenstelling die ten grondslag ligt aan onze omgang met de levende natuur.

Waar komt die angst toch vandaan? Zit het in onze genen? Stamt het nog uit de tijd dat we met stenen bijlen achter mammoeten aanjoegen terwijl er sabeltandkatten op de loer lagen? Of zijn het de media die ons in de nieuwsluwe zomermaanden de stuipen op het lijf jagen met verhalen over meeuwen die chihuahua’s opslokken, de eikenprocessierupsenjeuk, rennende reuzenteken en het verschrikkelijke draaigatje dat ons het leven zuur maakt? Nog even en dan stapt er weer en badgast in de rugvin van een pieterman (‘Ga niet in zee, ze zijn er weer!’), de limonadewespen zijn in aantocht (‘Niet drinken!’), vale gieren zeilen ons land binnen (‘Houd peuters binnen!’) en binnenkort krijgt een Veluwse veeboer geheid een knauw van een wolf. 

Oké, kijk uit voor teken in je bilnaad, mep irritante steekmuggen dood, maar zoek vooral de natuur op, en geniet. Ik heb het hier vaker geroepen: mensen die regelmatig een flinke portie natuur tot zich kunnen nemen, zijn geestelijk en lichamelijk gezonder dan mensen die dat moeten missen. Keukentrapjes en bijtgrage honden veroorzaken veel meer ellende dan de 39.732 soorten wilde dieren, planten, schimmels en slijmzwammen die de Nederlandse natuur rijk is. 

In Turkije is dat niet anders. Vanavond gaan we voor een kebab naar de boulevard en hopen op de terugkeer van de bosuil.

/

Geen pardon voor de eekhoorn

Zondag 24 februari 2019 sprak ik in het radioprogramma Vroege Vogels de volgende column uit: [hij is hier ook terug te luisteren]

Amerikaanse Rode Eekhoorn Bureau Stadsnatuur 29 januari 2019 (1)

Amerikaanse rode eekhoorn in het Kralingse Bos. (Garry Bakker)

Nog steeds ben ik een beetje opgewonden van het goede natuurnieuws van de laatste tijd. Ga maar na: al het insectenleven is niet binnen een eeuw van de aardbol verdwenen; op het Galapagoseiland Fernandina heeft de lokale reuzenschildpad (Chelonoidis phantastica) zich 113 jaar voor de mensheid verborgen weten te houden en is dus niet uitgestorven (er leeft welgeteld nog één vrouwtje); in Indonesië is de eveneens uitgestorven gewaande Molukse reuzenbehangersbij (Megachile pluto), herontdekt, en -tadaa! – in Rotterdam is in het Kralingse Bos na een afwezigheid van dik 20 jaar plotseling een eekhoorn opgedoken. 
                  Van dat laatste dierennieuwtje ging mijn hart echt sneller kloppen. Ik ben als Rotterdammer namelijk opgegroeid met en gevormd door het dierenleven van dat stadspark. Ik zocht en vond er kramsvogels, koperwieken, kuifmezen en kruisbekken, en onder de zoogdieren was de rode eekhoorn mijn favoriet. Ze aten er pinda’s uit je hand. Het voeren van die eekhoorntjes is voor vele Rotterdammers een onvergetelijke ervaring geweest. 
                  Mijn enthousiasme over de terugkeer van de eekhoorn was van korte duur. Ecologen van Bureau Stadsnatuur, die het Rotterdamse dierenleven nauwgezet in kaart brengen, kregen hem scherp in beeld en concludeerden dat het een Amerikaanse rode eekhoorn was – Tamiasciurus hudsonicus, een exoot die moedwillig in het bos moet zijn losgelaten.
                  De geschiedenis had zich herhaald, maar dan met de foute soort. Twee jaar nadat ‘de Kralingerhout’ in 1953 officieel werd geopend zaten er al rode eekhoorns, terwijl het natuurlijke verspreidingsgebied van die soort zich ook toen al beperkte tot de bosrijke zandgronden en de Hollandse duinstreek. Iemand moet gedacht hebben ‘wat is een bos zonder eekhoorns’ en heeft er vervolgens een kooitje met die knaagdieren opengezet. Na een kleine halve eeuw is die populatie vermoedelijk door inteelt uitgestorven, op een plaats waar ze eigenlijk niet thuishoorden. Zo gaat dat in de natuur.
                  En nu zorgt die exotische eekhoorn voor discussie. Geholpen door de aaibaarheid van het knaagdier zijn er Rotterdammers die fel pleiten voor een ‘eekhoornpardon’, anderen zijn voor de wettelijke gedwongen uitzetting. Hoewel ik zelf niet in het anti-exoten kamp zit, zeg ik wel ‘weg met die eekhoorn!’. Niet omdat hij het ecosysteem van het bos zal verstoren, maar simpelweg omdat het een beestje uit de dierenwinkel is die daar moedwillig is losgelaten. Het kost de planten- en dierenwereld al genoeg moeite om in evenwicht te komen met invasieve exoten die zonder directe hulp van mensen de boel verstoren. Door deze eekhoorn op een voetstuk te plaatsen, stimuleer je anderen om ook kooitjes met wat voor soort gedierte dan ook open te zetten. Dat mag niet en dat doe je niet, met geen enkel dier.

Maagplastic

Zondag 28 februari 2016 sprak ik een column uit in het radio 1 programma Vroege Vogels. Dit is de uitgeschreven tekst van de column: [beluisteren (en lezen) kan (ook) hier]

Chris_Jordan_Midway

foto Chris Jordan

Of de plastic soep bestaat of niet, de schokkende beelden van Chris Jordan spreken boekdelen. U kent zijn foto’s nog wel: halfvergane albatroskadavers vol met plastic -haarscherp in beeld gebracht. Flesdoppen, kammetjes, aanstekers, wattenstaafjes en ander klein, kleurrijk afval dat albatrossen in zee aanzien voor voedsel en ook aan hun jongen voeren. Het plastic heeft geen voedingswaarde, verstopt de boel en de zeevogels gaan er massaal aan dood. Ik ken geen foto’s die de verderfelijke invloed van de mens op de natuur zo treffend in beeld brengen. De albatrosmagen vol plastic werken beter dan foto’s van het bloed van een doodgeknuppeld zeehondje of een jachthond die een weerloze zwaan langzaam dood bijt.

Het is ook niet niks de hoeveelheid plastic die in de wereldzeeën drijft: alleen al het aantal stukjes microplastic (kleiner dan vijf millimeter) varieert momenteel tussen de 15 en 51 biljoen – een biljoen heeft twaalf nullen. Het totale gewicht daarvan wordt ergens tussen de 93.000 en 236.000 ton geschat. En dat is dan nog maar 1% van al het plasticafval dat per jaar in zee terecht komt. De rest wordt nooit meer teruggezien, maar is er nog wel.

Gisteren (27 februari 2016)  berichtte de Volkskrant dat via kunstgrasvelden jaarlijks één miljoen kilo kunststof glijkorrel in het milieu verdwijnt. Alleen al in Nederland.

snickers_marsIk moest aan de albatrosmagen denken toen deze week bekend werd dat er in Duitsland in een Snickers-reep een stukje plastic was gevonden. Die chocoladereep was gemaakt in de Mars-fabriek in Veghel. Mars Nederland ‘riep’ vervolgens vier miljoen repen terug uit winkels en uit versnaperingsautomaten. Want, stel je toch eens voor dat er nog een stukje plastic in een Mars, Milky Way of Snickers zou zitten? Ergens poept een liefhebber van zoetigheid een keutel plastic uit. Het leed is niet te overzien, de volksgezondheid loopt gevaar!

Vier miljoen is overigens peanuts, want die snickersfabriek produceert per dag 27 miljoen van die chocoladerepen. Is het misschien een publiciteitsstunt waar ik nu ook intrap?

Hoe dan ook geeft dit akkefietje wel aan dat de mens bovenal bezig is met en zich druk maakt over het welzijn en welbevinden van de eigen soort en niet van de omgeving waar hij deel van uitmaakt. De maag van de mens gaat boven die van een albatros.

Bronnen staan in de aanklikbare linkjes in de tekst.

Het moderne vogelen

Zondag 31 mei 2015 sprak ik een column uit in het radio 1 programma Vroege Vogels. Het was een bijzondere uitzending want Vroege Vogels en ‘Weer of Geen Weer’ bestonden samen 60 jaar. Dit is de uitgeschreven tekst van de column: [beluisteren (en lezen) kan (ook) hier]

Hoewel ik zelf gelukkig nog niet kan bogen op een zestigjarig bestaan, loop ik al wel 45 jaar met een verrekijker om mijn nek. In die periode, vooral sinds de eeuwwisseling, is het vogelen ingrijpend veranderd.

Allereerst is er de invloed van de wetenschap. Uit één veertje is tegenwoordig genoeg DNA te trekken om de oude, vertrouwde vogelstamboom keer op keer te laten schudden. Futen blijken ‘familie’ van de flamingo’s te zijn en daarom staan ze niet meer vooraan in het vogelboek. Die ereplaats is overgenomen door de eenden. En de kraaien – lange tijd hekkensluiters van de vogelsystematiek – staan nu voor de goudhaantjes. Nee – goudhanen moet ik zeggen, want hier dient zich verandering nummer twee aan: geen verkleinvormen meer in vogelland. Begin deze eeuw verloren onder andere baardman, visdief, paap, winterkoning, woudaap en witgat hun liefkozende -je of -tje. Walters_1997Tegenstanders van deze taalzuivering vrezen dat deze vogeltjes daarmee hun aaibaarheid verliezen en dat zit vogelbescherming weer in de weg. In Zweden gingen ze nog verder door racistische vogelnamen te schrappen. Gelukkig ontbeert de officiële lijst van Nederlandse vogelsoorten aanstootgevende namen, maar de handige ‘Complete Checklist Vogels van de wereld’ (1997) die ik nog steeds gebruik, zal bij een tweede editie vermoedelijk wel afscheid nemen van de kaffergierzwaluw, de hottentottaling en de bleekkopnegervink. In Engeland doen ze nog niet moeilijk. Daar heet de koolmees (great tit) simpelweg nog ‘grote tiet’, en de kuifaalscholver (shag) zonder gekheid ‘neuk’.

En dan het noteren van vogelwaarnemingen. Gebeurde dat in de vorige eeuw nog met potlood in een notitieboekje, sinds 2005 doet een beetje vogelaar dat op waarneming.nl. Die website heeft inmiddels 64.000 gebruikers die samen ruim 34 miljoen waarnemingen invoerden, waarvan 24 miljoen van vogels. De smartphone is het nieuwe opschrijfboekje en iedereen kan de waarnemingen zien en gebruiken. Minder dan 20 jaar geleden moest je daarvoor de gortdroge en verre van complete rubrieken in de vogelblaadjes doorspitten. Nu is zelfs de vevogelaars_anno_2015rspreiding van de soepgans volledig in kaart gebracht met maar liefst 19.388 waarnemingen. Fantastisch toch?

Een minpuntje van het vogelen in de eenentwintigste eeuw is de vogelaarsklederdracht: een foeilelijk fleecevest, het waterdichte-maar-toch-lekker-fris-ademende-windjack en (het ergste van alles) de zevenzakken-afritsbroek, met daaronder als het tegenzit de Teva-sandaal. Kom op collega-vogelaars, dat doet onze branche geen goed! De klassieke vogelaarsbaard daarentegen, die is nu juist weer hip.

Bonus: lees hier mij vorige feestcolumn voor Vroege Vogels, bij gelegenheid van de uitbreiding van de zendtijd, op 5 januari 2014.

Botsende stadsnatuur

Zondag 1 juni 2014 sprak ik een column uit in het radio 1 programma Vroege Vogels. Het was een bijzondere uitzending vanuit het Natuurhistorisch Museum Rotterdam, in het kader van de IABR 2014 – Urban by Nature – en de expo Pure Veerkracht.  Dit is de uitgeschreven tekst van de column: [beluisteren kan hier]

meerkoet_op_fontein_Westersingel_RotterdamDe stad is ook natuur. Dit motto geven we in het Natuurhistorisch Museum mee aan de nieuwe tentoonstelling ‘Pure Veerkracht’. Die titel verwijst naar de ongekende aanpassingen die dieren en planten laten zien wanneer ze zich in de stad vestigen. Neem de stadsduif die nog maar een paar eeuwen geleden als rotsduif in het hooggebergte nestelde en nu onze bouwwerken bevolkt alsof het kliffen zijn. Of de scholekster die het wad voor de stad omruilt en steeds meer op platte grinddaken broedt. Ze schakelen qua voedsel om van schelpdieren naar wormen en insectenlarven die ze vinden in kort gemaaide grasvelden waar de stad rijk aan is.

Dit is natuurlijk razend slim en veerkrachtig, maar we zien de natuur en de stad ook keihard botsen, en andersom. Neem diezelfde scholeksters. Daar waar ze op daken broeden die aan ramen grenzen, houden ze urenlange schijngevechten met hun spiegelbeeld. Ze knallen tegen de ruiten en houden daarmee complete kantoorverdiepingen van het werk. De vogels zelf komen niet aan broedzorg toe.

Ook het knobbelzwaanpaar dat hier in Rotterdam in de wijk Blijdorp langs een singel broedde, botste – letterlijk. Het mannetje joeg niet alleen honden en wandelaars weg bij het nest, maar viel ook geparkeerde auto’s aan, omdat hij zichzelf als indringer zag in het spiegelende koetswerk. Resultaat: zowel zwaan als buurtbewoners opgefokt en lakschade aan talloze auto’s. De arme watervogel botste later nog harder met de stad: hij vloog tegen een stoplicht, overleed en leidt nu hier (in Het Natuurhistorisch) een tweede leven als ‘de autozwaan’.

Dan zijn er nog de meerkoeten, waarmee het ook goed gaat in de stad. Bijna elke Rotterdamse singel telt meerdere nesten, gemaakt van takken en drijfvuil. Ze hebben voedsel genoeg en het aantal nesten lijkt gereguleerd te worden door de aanwezigheid van een vlondertje, het wrak van een supermarktkarretje of iets anders dat het nest in het water houvast biedt. In steeds meer singels en plassen gebruiken ze nu ook fonteinkoppen om hun nesten op te verankeren. Het zijn prachtplekken, tot de fonteinen gaan spuiten. Dan klettert het water met grote kracht op het takkenbouwsel neer. Meestal blijven de stakkers onverstoorbaar broeden. Terwijl de ene koet op het nest het water trotseert, brengt de andere weggespoeld nestmateriaal terug. Buurtbewoners die dit meerkoetenleed niet kunnen aanzien vragen Gemeentewerken om clementie. De fontein stopt met spuiten. “En de vissen dan?” roept een andere stadsnatuurliefhebber “die hebben toch zuurstof nodig?” Ook daar botst de stadsnatuur.

//

Nog vroegere vogels

Zondag 5 januari 2014 mocht ik een column uitspreken in het radio 1 programma Vroege Vogels. Het was een bijzondere uitzending, want de aanvangstijd vervroegde met ingang van die zondag tot 07.00 uur. Geen twee maar drie uur Vroege Vogels op de radio. Dit is de uitgeschreven tekst van de column: [beluisteren kan hier]

vogelaars_zonsopkomstHoe vroeg moet je eigenlijk je bed uit en naar buiten om optimaal van de natuur te kunnen genieten? Een ongeschreven wet onder natuurvorsers zegt natuurlijk ‘hoe vroeger, hoe beter’. Je hebt dan voordat de dagjesmensen zich massaal vertonen al in alle stilte en eenzaamheid genoten van een zingende tjiftjaf of een roffelende specht. Onderzoek heeft aangetoond dat de meeste vogels in elk jaargetijde in de eerste daglichturen het actiefst zijn: de nacht was koud, kostte energie en zo gauw het kan moet de maag weer vol. In het voorjaar komt daar de voortplantingsdrang nog eens bij. De mannetjes zingen al voor het ochtendgloren of het voortbestaan van hun soort er van afhangt. Broedvogeltellers weten dat: om niets te missen moeten ze twee uur voor zonsopkomst in het veld zijn. Dat is heel erg vroeg!

Zelf heb ik er eigenlijk altijd spijt van gehad dat ik niet aan vlinders of reptielen ben gaan doen, want die komen pas op het heetst van de dag goed op gang. Ik ben niet zo’n ochtendmens.

En hoe zit het met u, luisteraars van dit radioprogramma met hart voor de natuur? Gelooft u het wel op dit uur van de dag? Blijft u net als ik – normaal gesproken – op zondagochtend lekker in bed met de radio aan terwijl buiten de ganzen al trekken en het roodborstje tegen het raam tikt? Bent u ook zo’n soort vroege vogel? Dan bent u een zegen voor de dierenwereld, want alle mensen die al voor dag en dauw goedbedoeld in de natuur lopen te vorsen op hun kaplaarzen of bergwandelschoenen doen dat terwijl er buiten eigenlijk rust moet heersen.

Geloof me, op zondagochtend haalt de natuur opgelucht adem omdat er dan enige honderdduizenden natuurliefhebbers binnen blijven, bij de radio, afgestemd op Vroege Vogels.

Wie er precies verantwoordelijk voor zijn, weet ik niet – Staatssecretaris Dekker, zendermanager Laurens Borst, het Vara-bestuur, de redactie en presentatoren van Vroege Vogels – maar het getuigt van visie en grote liefde voor de natuur om dit programma vanaf vandaag een uur eerder te laten beginnen. Jullie bewijzen de natuur (en de luisteraars) een grote dienst.

Kaapverdische homo’s

Zondag 26 mei 2013 sprak ik een column uit in het Radio 1 programma Vroege Vogels. Hij is hier te beluisteren en hieronder na te lezen:

iago_sparrow_in_hand [Kees Moeliker]De Nederlandse avifauna is weer een exoot rijker. Het gaat om vier Kaapverdische mussen die het afgelopen weekend als verstekelingen op een schip zijn gearriveerd in Zeeland, in het haventje van Hansweert op Zuid-Beveland. Let wel, het zijn geen huismussen afkomstig van de Kaapverdische eilanden, nee, het zijn mussen van een aparte soort (Passer iagoensis) die uitsluitend op die eilanden voor de West-Afrikaanse kust voorkomen. Omdat het schip behalve de mussen ook vogelaars op vogelreis vervoerde, is de zeereis van de nieuwkomers uitstekend gedocumenteerd. Op 6 mei vlogen er vanaf het onbewoonde eilandje Razo elf aan boord. Zeven beproefden hun geluk op Madeira en de vier overgebleven exemplaren, twee mannetjes en twee vrouwtjes, voeren mee naar Nederland. Aan boord werden de hand tamme vogels liefdevol verzorgd met water en brood. Een mannetje sloot vriendschap met de kapitein en verbleef in de stuurhut. Dankzij het wereldwijde web en de sociale media werd de komst van de Kaapverdische mussen ruim van te voren aangekondigd. Ik kon niet wachten op het historische moment dat de eerste mussen uit Afrika in West-Europa zouden aankomen. Op eerste Pinksterdag was ik een van de eersten (met een verrekijker om de nek) die de pioniers welkom heette. Ik trof ze nogal passief aan. Aan het eind van de middag zaten de twee vrouwtjes op het dek te slapen met de kop in de veren. Het mannetje dat in de stuurhut rondfladderde, stond instabiel op zijn pootjes en ademde zwaar. Ik kon hem gemakkelijk pakken. two male iago sparrows in copula on deck Plancius_klDaar stond de conservator, in tweestrijd, met een Kaapverdische mus in handen. Nu heb ik weleens een vogeltje beroepshalve voor de wetenschap ‘verzameld’, maar omringd door stoere zeebonken die een emotionele band met de betreffende mus hadden opgebouwd, stelde ik uit lijfsbehoud voor hem aan dek los te laten. Zo geschiedde. Seconden nadat ik het wankele musje naast een korstje brood had neergezet, dook het andere mannetje er boven op en ontstond een vechtpartij die voor mijn ogen en van die van de twee mussenvrouwtjes eindigde in een onmiskenbare poging tot paring. Dat moet ik weer zien: het eerste dat twee Kaapverdische mussen in Nederland vertonen is homoseksueel gedrag! Hoe moet het nu verder met deze mussen? Faunapuristen zullen gelijk willen ingrijpen, want stel je voor dat ze ooit onze eigen inheemse mussen gaan verdringen of schade veroorzaken in Bevelandse boomgaarden. Ik zeg: stop met voeren, dan gaan ze uiteindelijk van het schip af. Laat ze daarna aan hun lot over. Ze beleven als tropische vogels momenteel de koudste meidagen sinds mensenheugenis. Dat is een goede testcase. Of ze ons klimaat en de overal loerende sperwers (die ze niet kennen) overleven, is afwachten. Mochten ze het toch redden dan is de kans dat deze Kaapverdische homo’s zich ooit zullen voortplanten minimaal.

Hier mijn eerdere blog over de Kaapverdische mussen. BONUS: [gerelateerd, toegevoegd 7 juli 2014] Artikel ‘Homosexual mounting of iago sparrows after ship-assisted arrival in the Netherlands‘ in Dutch Birding 36: 172-173 (2014)

Rode auto’s, vogelpoep en waterkevers

Eindelijk weer eens een column in het radio 1 programma ‘Vroege Vogels‘ . Het is de twintigste, uitgesproken zondag 26 augustus 2012. Hier is de uitgeschreven tekst. [en hier is ie te beluisteren]

Na de files, de benzineprijzen, de maximumsnelheid en de wegenbelasting is vogelpoep de grootste ergernis van de autobezitter. Ik spreek uit ervaring. Neem de houtduif die stelselmatig zijn darmen leegt boven de motorkap van mijn oude Saab. Als ik die gore prut niet snel met lauwwarm water verwijder, droogt het in tot een mix van papier-maché en cement. Zelfs nummer 6 in de wasstraat haalt dan niets meer uit. Het leed is helemaal niet te overzien als je per ongeluk je auto onder een spreeuwenslaapboom parkeert,  of in de buurt van een vliegroute van reigers.

De gevolgen van vogelstront op autolak zijn wetenschappelijk vastgesteld: de verteringsenzymen in de uitwerpselen tasten de doorzichtige extra beschermlaag aan, waardoor de onderliggende lak dof wordt. Poepjes met pitjes, van zaadeters, zijn schadelijker dan meeuwenflotsen. In Engeland becijferde verzekeraars dat vogelpoep jaarlijks 57 miljoen pond kost aan lakreparaties. Dat wil niemand, toch?

De vraag is: hoe voorkom je dat je auto bescheten wordt? De Britse tak van firma Halfords die poetsmiddelen en autoaccessoires verkoopt, deed daar afgelopen zomer een leuk onderzoek naar. Conclusie: koop geen rode auto. Waarom? Zij stelden in twee opeenvolgende dagen de aanwezigheid van vogelpoep vast op 1140 auto’s in vijf steden in het Verenigd Koninkrijk, en relateerden de resultaten aan de kleur van het koetswerk. Groene auto’s werden het minst bevuild, rode het meest. De meest voorkomende autokleuren, zwart en zilver, ontvingen een gemiddeld aantal vogelpoepjes.

Grappig natuurlijk, maar de resultaten zeggen meer over waar de auto’s geparkeerd stonden dan over gericht poepen op rode auto’s. Vogels kunnen uitstekend kleuren zien. Ze gebruiken dat vermogen om voedsel te vinden, gevaar te ontdekken, concurrenten af te schrikken en een partner te selecteren – niet om autootje te pesten.

Toch hebben rode auto’s een bijzondere aantrekkingskracht. Waterinsecten, zoals haften, wantsen en waterkevers, blijken in de periode dat ze vliegen massaal op rode autodaken te landen. Rode autolak en gladde wateroppervlakten polariseren het licht namelijk op exact dezelfde manier. De insecten zien rode auto’s dus aan voor water. De gevolgen zijn desastreus: zowel de insecten als de eieren die ze leggen drogen uit op het hete autodak. De autobezitter blijft ook niet schadevrij, want bij hoge temperaturen produceren insecteneieren zwavelzuur. Dat brandt lekker in de lak, meer nog dan vogelpoep.

Bronnen

‘Bright red cars attract more bird droppings than vehicles of any other colour, according research from Halfords.’ Press Release, 19 June 2012. (www.halfordspressoffice.com)

György Kriska, Zoltán Csabai, Pál Boda, Péter Malik & Gábor Horváth, 2006 – Why do red and dark-coloured cars lure aquatic insects? The attraction of water insects to car paintwork explained by reflection–polarization signals – Proceedings of the The Royal Society B 273: 1667-1671 doi: 10.1098/rspb.2006.3500

Nilsson A.N., 1997 – On flying Hydroporus and the attraction of H. incognitus to red car roofs – Latissimus 9: 12–16

van Vondel B.J, 1998 Another case of water beetles landing on a red car roof. Latissimus 10: 29

Stevani C.V, Faria D.L.A, Porto J.S, Trindade D.J, Bechara E.J.H, 2000 – Mechanism of automotive clearcoat damage by dragonfly eggs investigated by surface enhanced Raman scattering – Polym. Degrad. Stab. 68: 61–66. doi:10.1016/S0141-3910(99)00165-2