Red de houtsnip!

Zondag 10 november 2019 sprak ik in het radioprogramma Vroege Vogels de volgende column uit:

Als ik één vogel associeer met het najaar is dat de houtsnip. Dat heeft twee redenen. De eerste is het verenkleed van de steltloper – werkelijk prachtig uitgevoerd in alle mogelijke herfsttinten. Het samenspel van de kleuren bruin, zwart en grijs is zodanig dat elke met zorg samengestelde herfsttafel er bij verbleekt. De tweede reden is de najaarstrek. Precies nu, in de eerste twee weken van november, is die op zijn hoogtepunt en trekken er duizenden door ons land. Ze komen uit Scandinavië en Oost-Europa, sommigen van ver achter de Oeral, en zijn onderweg naar Frankrijk, Engeland en Spanje om te overwinteren. Hoewel de houtsnip in zijn broedgebied een schuwe bewoner van bossen is die pas in het schemerdonker actief wordt, is de kans groot dat u er dit najaar midden op de dag een ziet of heeft gezien – vooral als u in een grote stad woont. De kans is ook groot dat die houtsnip dood was.

Dat zit zo. Ze trekken ’s-nachts en worden door het licht dat nooit dooft steden ingezogen. Wanneer de dag aanbreekt en de vogels vliegend een veilig heenkomen zoeken, blijkt dat ze niet aangepast zijn aan het leven in de stad. Hun ogen staan opvallend ver naar achteren. Dat is een prettige aanpassing voor een op bosgrond broedende vogel – dan zie je zonder je kop te bewegen roofvijanden van alle kanten aankomen. Maar helaas is recht vooruit het zicht van de houtsnip ronduit slecht. In de stad vliegen ze zich daardoor vroeg of laat dood, tegen etalageruiten, glazen gevels, in portieken en bushokjes.

Afgelopen vrijdag bracht een bezoeker van het Natuurhistorisch Museum een gecrashte houtsnip binnen: “Een soort grutto, hiernaast tegen het gebouw geknald!” zei de man omringd door zijn zichtbaar geschokte gezin. Ik pakte de vogel aan. Hij keek nog kwiek uit zijn grote zwarte ogen, maar het kopje hing al een beetje scheef. Geen goed teken. Binnen een uur was hij dood. Weer een houtsnip minder.

Wereldwijd sterven jaarlijks miljarden vogels door botsingen met glazen gebouwen en andere doorzichtige of spiegelende structuren. De oplossing – niet meer bouwen met glas, maar natuurinclusief – vergt een mentaliteitsverandering bij architecten en stedenbouwkundigen die slechts langzaam indaalt. Lokaal zijn er snelle successen te boeken. Zo bleek uit een recent onderzoek in Polen, waar zich jaarlijks ongeveer een miljoen vogels tegen glazen bushokjes te pletter vliegen, dat bushokjes waarvan de ruiten (clandestien) van graffiti-schilderingen waren voorzien veel minder raamslachtoffers eisten dan brandschone hokjes. Tegen bushaltes waarvan het glas én bespoten én vuil (niet gezeemd) was, botsten nauwelijks vogels.

Lieve luisteraars van Vroege Vogels als jullie nu allemaal in je eigen buurt een glazen bushokje met een spuitbus onder handen nemen, dan gaat dat veel raamslachtoffers schelen. Ook de houtsnip is jullie dankbaar.

Botsende stadsnatuur

Zondag 1 juni 2014 sprak ik een column uit in het radio 1 programma Vroege Vogels. Het was een bijzondere uitzending vanuit het Natuurhistorisch Museum Rotterdam, in het kader van de IABR 2014 – Urban by Nature – en de expo Pure Veerkracht.  Dit is de uitgeschreven tekst van de column: [beluisteren kan hier]

meerkoet_op_fontein_Westersingel_RotterdamDe stad is ook natuur. Dit motto geven we in het Natuurhistorisch Museum mee aan de nieuwe tentoonstelling ‘Pure Veerkracht’. Die titel verwijst naar de ongekende aanpassingen die dieren en planten laten zien wanneer ze zich in de stad vestigen. Neem de stadsduif die nog maar een paar eeuwen geleden als rotsduif in het hooggebergte nestelde en nu onze bouwwerken bevolkt alsof het kliffen zijn. Of de scholekster die het wad voor de stad omruilt en steeds meer op platte grinddaken broedt. Ze schakelen qua voedsel om van schelpdieren naar wormen en insectenlarven die ze vinden in kort gemaaide grasvelden waar de stad rijk aan is.

Dit is natuurlijk razend slim en veerkrachtig, maar we zien de natuur en de stad ook keihard botsen, en andersom. Neem diezelfde scholeksters. Daar waar ze op daken broeden die aan ramen grenzen, houden ze urenlange schijngevechten met hun spiegelbeeld. Ze knallen tegen de ruiten en houden daarmee complete kantoorverdiepingen van het werk. De vogels zelf komen niet aan broedzorg toe.

Ook het knobbelzwaanpaar dat hier in Rotterdam in de wijk Blijdorp langs een singel broedde, botste – letterlijk. Het mannetje joeg niet alleen honden en wandelaars weg bij het nest, maar viel ook geparkeerde auto’s aan, omdat hij zichzelf als indringer zag in het spiegelende koetswerk. Resultaat: zowel zwaan als buurtbewoners opgefokt en lakschade aan talloze auto’s. De arme watervogel botste later nog harder met de stad: hij vloog tegen een stoplicht, overleed en leidt nu hier (in Het Natuurhistorisch) een tweede leven als ‘de autozwaan’.

Dan zijn er nog de meerkoeten, waarmee het ook goed gaat in de stad. Bijna elke Rotterdamse singel telt meerdere nesten, gemaakt van takken en drijfvuil. Ze hebben voedsel genoeg en het aantal nesten lijkt gereguleerd te worden door de aanwezigheid van een vlondertje, het wrak van een supermarktkarretje of iets anders dat het nest in het water houvast biedt. In steeds meer singels en plassen gebruiken ze nu ook fonteinkoppen om hun nesten op te verankeren. Het zijn prachtplekken, tot de fonteinen gaan spuiten. Dan klettert het water met grote kracht op het takkenbouwsel neer. Meestal blijven de stakkers onverstoorbaar broeden. Terwijl de ene koet op het nest het water trotseert, brengt de andere weggespoeld nestmateriaal terug. Buurtbewoners die dit meerkoetenleed niet kunnen aanzien vragen Gemeentewerken om clementie. De fontein stopt met spuiten. “En de vissen dan?” roept een andere stadsnatuurliefhebber “die hebben toch zuurstof nodig?” Ook daar botst de stadsnatuur.

//

Nog vroegere vogels

Zondag 5 januari 2014 mocht ik een column uitspreken in het radio 1 programma Vroege Vogels. Het was een bijzondere uitzending, want de aanvangstijd vervroegde met ingang van die zondag tot 07.00 uur. Geen twee maar drie uur Vroege Vogels op de radio. Dit is de uitgeschreven tekst van de column: [beluisteren kan hier]

vogelaars_zonsopkomstHoe vroeg moet je eigenlijk je bed uit en naar buiten om optimaal van de natuur te kunnen genieten? Een ongeschreven wet onder natuurvorsers zegt natuurlijk ‘hoe vroeger, hoe beter’. Je hebt dan voordat de dagjesmensen zich massaal vertonen al in alle stilte en eenzaamheid genoten van een zingende tjiftjaf of een roffelende specht. Onderzoek heeft aangetoond dat de meeste vogels in elk jaargetijde in de eerste daglichturen het actiefst zijn: de nacht was koud, kostte energie en zo gauw het kan moet de maag weer vol. In het voorjaar komt daar de voortplantingsdrang nog eens bij. De mannetjes zingen al voor het ochtendgloren of het voortbestaan van hun soort er van afhangt. Broedvogeltellers weten dat: om niets te missen moeten ze twee uur voor zonsopkomst in het veld zijn. Dat is heel erg vroeg!

Zelf heb ik er eigenlijk altijd spijt van gehad dat ik niet aan vlinders of reptielen ben gaan doen, want die komen pas op het heetst van de dag goed op gang. Ik ben niet zo’n ochtendmens.

En hoe zit het met u, luisteraars van dit radioprogramma met hart voor de natuur? Gelooft u het wel op dit uur van de dag? Blijft u net als ik – normaal gesproken – op zondagochtend lekker in bed met de radio aan terwijl buiten de ganzen al trekken en het roodborstje tegen het raam tikt? Bent u ook zo’n soort vroege vogel? Dan bent u een zegen voor de dierenwereld, want alle mensen die al voor dag en dauw goedbedoeld in de natuur lopen te vorsen op hun kaplaarzen of bergwandelschoenen doen dat terwijl er buiten eigenlijk rust moet heersen.

Geloof me, op zondagochtend haalt de natuur opgelucht adem omdat er dan enige honderdduizenden natuurliefhebbers binnen blijven, bij de radio, afgestemd op Vroege Vogels.

Wie er precies verantwoordelijk voor zijn, weet ik niet – Staatssecretaris Dekker, zendermanager Laurens Borst, het Vara-bestuur, de redactie en presentatoren van Vroege Vogels – maar het getuigt van visie en grote liefde voor de natuur om dit programma vanaf vandaag een uur eerder te laten beginnen. Jullie bewijzen de natuur (en de luisteraars) een grote dienst.

De haringscheet

In 2011 ben ik elke maand één keer ‘columnist van de week’ bij Vroege Vogels op radio 1. Zondag 12 juni om 8.30 uur was de zesde in de reeks ‘Uit de Koker van Kees’ te beluisteren. Dit is de uitgeschreven tekst: (hier te beluisteren)

Snuit iets toegespitst, onderkaak steekt voor de bovenkaak uit; rugvin begint even voor het midden van het lichaam, de anaalvin staat ver naar achteren, de buikvinnen precies onder de rugvin. Kleur: rugzijde donker olijfgroen, buik en flanken witachtig; levende of nog met schubben bedekte dode exemplaren vertonen een prachtige parelmoerglans. Lengte tot 45 centimeter.’[1] U kent deze diersoort vermoedelijk zonder kop, wervelkolom en ingewanden als ‘Hollandse Nieuwe’ en heeft er de afgelopen dagen vast wel een gegeten, met of zonder ui of zure bom, op een broodje, uit de hand of met een prikkertje, met een jonge jenever, of – zoals bij mijn visboer – met een glas Chablis. Hendrikje van Andel-Schipper, in 2005 met 115 jaar de oudste in leven zijnde wereldburger, at er dagelijks een, met een glaasje sinasappelsap. Misschien kent en eet u de vis als kipper, bokking of rolmops.

Het is de haring, in 1758 officieel Clupea harengus genoemd door Linnaeus, en nog steeds een van de talrijkste en succesvolste vissoorten van onze planeet. Hij leeft in kustwateren aan beide zijden van de Atlantische Oceaan, in enorme scholen. De grootste school ooit gezien besloeg vier kubieke kilometer en telde naar schatting vier miljard haringen. De oudst bekende haring bereikte een leeftijd van 22 jaar. Wij eten hem onvolgroeid als tweejarig jonkie van hooguit een centimeter of twintig. Geslachtsrijp zijn ze pas na drie jaar. Dan gaan ze gezamenlijk paaien. Zowel de eierstokken als de testikels vullen dan de volledige buikholte en wegen twintig procent van het totale lichaamsgewicht [3]. De haringwijfjes laten elk gemiddeld 30.000 kleverige eitjes (kuit) in zee lopen, die de mannetjes met hun hom bevruchten.

Het succes van de haring als soort zit waarschijnlijk in de grote scholen waarin ze leven. Ze kunnen zo roofvissen en dolfijnen verwarren en afschrikken, de kans verkleinen dat ze opgegeten worden, zich beter oriënteren en synchroon voedsel zoeken.

De haring kan uitstekend horen en maakt geluid voor de zo belangrijke onderlinge communicatie. De snel herhaalde in geluidsvolume afnemende pulstonen werden halverwege de jaren tachtig onbedoeld ontdekt door de Zweedse marine. Het geluid werd jarenlang toegeschreven aan Sovjet onderzeeërs die in de Oostzee zouden spioneerden. Visbiologen [2] toonden later aan dat haringen het bewuste geluid produceerden door (anale) winden te laten die net boven de menselijke gehoordrempel uitkomen. In Zweden haalde men opgelucht adem. De haringscheet werd heel toepasselijk FRT (Fast Repetitive Tick) genoemd. Luister maar. [4]

bronnen:

[1] Redeke, H.C. 1941 – De visschen van Nederland – A.W. Sijthoff’s Uitgeversmaatschappij N.V., Leiden

[2] Magnus Wahlberg & Håkan Westerberg, 2003 – Sounds produced by herring (Clupea harengus) bubble release – Aquatic Living Resources 16(3): 271-275

[3] Bucholtz, R.H., Tomkiewicz, J. & Dalskov, J., 2008 – Manual to determine gonadal maturity of herring (Clupea harengus L.) – DTU Aqua-report 197-08, Charlottenlund: National Institute of Aquatic Resources. 45 p.

[3] Ben Wilson, Robert S Batty & Lawrence M Dill, 2004 – Pacific and Atlantic herring produce burst pulse sounds – Proc. R. Soc. Lond. B (Suppl.) 271: 95– 97