Feeds:
Posts
Comments

De otterman

Donderdag 23 februari 2012 mocht ik optreden tijdens een avond met Redmond O’Hanlon en zijn side-kick Alexander Reeuwijk. Zij reisden door het land, onder andere, ter promotie van het boek ‘Darwin, Wallace en de anderen‘ waarin Alexander Reeuwijk O’Hanlon laat vertellen over evolutie in de breedste zin des woords, in de setting van de Artis Bibliotheek. Arminius in Rotterdam was het decor van hun laatste optreden en ik aarzelde geen moment toen de organisatoren (Boekhandel v/h Van Gennep, Studium Generale van de EUR en Arminius) mij vroegen om een bijdrage aan de avond te leveren. Ik ben namelijk een groot fan van zijn boeken. Medio jaren ’80 verslond ik ze: ‘Into the heart of Borneo’ en ‘In trouble again’. Op een van mijn laatste echte expedities – het ophalen van een dood Bruijns boshoen in Indonesië in 2001 – herlas ik de gebundelde Nederlandse vertalingen van deze klassiekers in de moderne reisliteratuur. En nu mocht ik met met hem werken. Het was zowel een grote eer als een groot genoegen.

Tijdens de rijsttafel die we van te voren aten, vroeg hij ‘What was the matter with those mallards you studied?‘ Ik legde hem uit dat dergelijk ‘necrofiel’ gedrag slechts voorkomt wanneer er sprake is van een plotselinge dood in een voor de soort karakteristieke paarpositie, en dat er sprake moet zijn van enig voorafgaand baltsgedrag. Het stelde Redmond gerust.

Na afloop vroeg ik hem om mijn beduimelde exemplaar van ‘De junglereizen’ te signeren. Hij deed het geroutineerd in een bijna onleesbaar handschrift. Thuisgekomen ontcijferde ik de opdracht die Redmond op de titelpagina had geschreven: “To the only otter man I know. Who loves the water shit[?], with great admiration to his work. Redmond“. Onvergetelijk!

Vliegveiligheid

In 2011 was ik elke maand  één keer ‘columnist van de week’ bij Vroege Vogels op radio 1.  Zondag 4 december 2011 om 8.30 uur was de twaalfde (en laatste)  in de reeks ‘Uit de Koker van Kees’ te beluisteren. Dit is de uitgeschreven tekst:

Op een mooie avond in oktober van dit jaar vond in de lucht boven Hilversum een botsing plaats tussen een meeuw en een traumahelikopter. De kokmeeuw sloeg een gat in de cockpit en de helikopter moest een noodlanding maken in een weiland. Kennelijk was doorvliegen met een gat en een meeuw in de cockpit geen optie. Dankzij omstanders kon de piloot de schade provisorisch met plakband repareren en zijn vlucht vervolgen. Opmerkelijk detail: het enige slachtoffer van dit ongeluk – de kokmeeuw – werd achtergelaten. Een foto van de plakbandplakkende traumahelikopterpiloot stond de volgende morgen op de voorpagina van De Telegraaf. Over het lot van de meeuw werd niet gerept. Gelukkig zorgden twee Gooise natuurvrienden, Pieter Schut en André van Soest, ervoor dat de dode meeuw niet anoniem tot ontbinding over zou gaan. Ze speurden het kadaver op en schonken het aan Het Natuurhistorisch. Daar is de traumameeuw nu een museumstuk, het eerste luchtvaartslachtoffer dat prachtig past in de serie dramatische vogeldoden die het Rotterdamse museum rijk is.

De traumameeuw is natuurlijk maar één van de vele slachtoffers van botsingen tussen vogels en vliegverkeer. In de Verenigde Staten houdt de Federal Aviation Administration sinds 1990 een database bij, en de teller staat nu op 129.597 goed gedocumenteerde doden. U vergist zich als u denkt dat dit allemaal vogels zijn. De lijst vermeldt 24 gordeldieren, twee bevers, 114 schildpadden, acht leguanen, 369 coyotes, 1019 herten, vier paarden en een varken. Ik neem aan dat deze slachtoffers geen laagvliegers waren, maar niet uitkeken bij het oversteken van de start- of landingsbaan. De Amerikaanse vliegtuigvogeldodenlijst telt overigens 415 soorten, waaronder zelfs kolibries en grasparkieten. Meeuwen, ganzen en roofvogels vormen de hoofdmoot.

Het mag duidelijk zijn dat deze botsingen in de lucht de vliegveiligheid in gevaar brengen – let wel: men heeft het hierbij altijd over de vliegveiligheid voor de mens. Dat is ook de strekking van het deze week verschenen rapport van de Onderzoeksraad voor Veiligheid over de hachelijke noodlanding van een Marokkaans passagiersvliegtuig na een botsing met een groep Canadese ganzen boven onze nationale luchthaven. De aanbeveling van de Onderzoeksraad aan de Minister van Infrastructuur en Milieu luidt dan ook ‘ … de populatie van diverse ganzensoorten in Nederland te reduceren tot [ ... ] een bepaalde omvang en zo het risico van vogelaanvaringen te beperken.’

Deze aanbeveling gaat voorbij aan het feit dat vogels letterlijk vogelvrij zijn. Ze kunnen en zullen vliegen waar zij willen. Als alle Schipholganzen tot kroketten verwerkt zijn, blijft het luchtruim bevolkt met kieviten, kraaien, meeuwen en andere gevleugelde vrienden. Wij hebben daartussen eigenlijk niets te zoeken. In de aardse biosfeer is het water voor de vissen en de lucht voor de vogels. Viervoeters en de enkele diersoort die op zijn achterpoten is gaan lopen, kunnen maar beter op het land blijven.

Bronnen:

Richard A. Dolbeer, Sandra E. Wright, John R. Weller & Michael J. Begier, 2011 – Wildlife Strikes to Civil Aircraft in the United States, 1990–2009 – Federal Aviaton Adminstration, National Wildlife Strike Database Serial Report Number 16

Onderzoeksraad voor Veiligheid, 2011 – Noodlanding na vogelaanvaring, Boeing 737-4B6, Amsterdam Schiphol Airpport, 6 juni 2011. p 1-138

Het spechtenhoofd

Elke maand ben ik één keer ‘columnist van de week’ bij Vroege Vogels op radio 1.  Zondag 6 november 2011 om 8.30 uur was de elfde  in de reeks ‘Uit de Koker van Kees’ te beluisteren. Dit is de uitgeschreven tekst:

Een prangende vraag die zowel vogelkenners als artsen al tientallen jaren bezig houdt, is ‘Krijgen spechten geen hoofdpijn?’. U kent de specht natuurlijk ook als die vrolijk lachende herriemaker die met zijn snavel tegen bomen hamert om er (1) vervolgens kleine beestjes uit te peuren en op te eten, (2) met het verdragende geroffel een partner te werven en er zijn territorium mee af te bakenen, en (3) er uiteindelijk ook een nesthol in uit te hakken. Veel meer facetten kent het spechtenleven niet: de specht hamert. Ruim dertig jaar geleden becijferde de Amerikaanse arts Philip May hoe vaak en hoe snel: 35 tot 44 tikken in roffels die 2,1 tot 2,7 seconden duren, en dat 500 tot 600 keer per dag. Bij elke tik weerstaat het spechtenhoofd een vertragingskracht van 1200 g. Om dat na te bootsen zouden wij met een snelheid van 25 kilometer per uur met ons hoofd tegen een muur moeten beuken, en dat 500 keer achter elkaar. Geloof me, na drie, vier keer head-bangen zijn we knock-out. Het is dus een wonder dat onze bossen en parken niet bezaaid liggen met bewusteloze spechten.

Dat wonder is evolutie door natuurlijke selectie. Ooit kwam een vogel op het idee om met zijn snavel tegen hout te kloppen. Hij kreeg er geen hoofdpijn van en merkte dat hij voedsel en nestplaatsen aanboorde die onbereikbaar waren voor andere vogels. Langzaam evolueerden de spechten tot wat ze nu zijn: een succesvolle familie van ruim 200 soorten. Ze zijn heer en meester in hun domein, geen andere vogel doet het ze na want het spechtenhoofd kent een aantal unieke aanpassingen waardoor het schokken absorbeert. De belangrijkste zijn:

Een minimum aan hersenvocht, waardoor de hersenen stevig verpakt niet in de schedel heen en weer klotsen.

Ongelijkvormige boven- en ondersnavel waardoor de klopkrachten die de hersenen bereiken aanzienlijk verminderen.

Een uitzonderlijk lang tongbeen dat met twee elastische banden over het achterhoofd en het schedeldak de neusgaten bereikt. Het vormt een soort veiligheidsgordel die de schedel bij elkaar houdt en schokken opvangt.

Onbewust van deze kennis werden in de Middeleeuwen al helmen ontworpen met een prominente ‘snavel’, maar de biomimicry gaat verder. In 2007 presenteerde de Britse werktuigbouwkundige Julian Vincent zijn bijna bewegingsloze elektrische ‘spechtenhamer’ gebaseerd op de uitermate korte maar snelle slag van de spechtenkop. Chinese onderzoekers voorspelden kortgeleden een nieuwe aanpak van het minimaliseren van schedelhersenletsel bij mensen, ook voortbordurend op de biomechanica van de spechtenschedel.

Ondertussen hebben de spechten een probleem. In onze verstedelijkte wereld zien ze straatlantarens en regenpijpen voor bomen aan. Ze hameren lustig op het keiharde ijzer, maar ik denk niet dat het zo slim aangepaste spechtenhoofd daar tegen bestand is.

Bronnen

May, P.R.A., Newman, P., Fuster, J.M. & Hirschman, A., 1976 – Woodpeckers and head injury – The Lancet, February 28, 1976: 454-455

May, P.R.A., Newman, P., Fuster, J.M. & Hirschman, A., 1976 – Woodpeckers and head injury – The Lancet, June 19, 1976: 1347-1348

May, P.R.A., Fuster, J.M., Haber, J. & Hirschman, A., 1979 – Woodpecker Drilling Behaviour, An endorsement of the Rotational Theory of Impact Brain Injury – Archives of Neurlology 36: 370-373

Schwab, I.R., 2002 – Cure for a headache – British Journal of Opthalmology 86: 843

Vincent, J.F.V., Sahinkaya, M.N. & O’Shea, W, 2007 – A woodpecker hammer – Proceedings of the Institution of Mechanical Engineers, Part C: Journal of Mechanical Engineering Science 221 (10): 1141-1147 (special issue paper)

Wang L, Cheung JT-M, Pu F, Li D, Zhang M, et al., 2011 – Why Do Woodpeckers Resist Head Impact Injury: A Biomechanical Investigation – PLoS ONE 6(10): e26490. doi:10.1371/journal.pone.0026490

In 2011 ben ik elke maand één keer ‘columnist van de week’ bij Vroege Vogels op radio 1.  Zondag 9 oktober om 8.30 uur was de tiende in de reeks ‘Uit de Koker van Kees’ te beluisteren. Dit is de uitgeschreven tekst:

Heeft u ook zo gelachen om de onderzoeken die kortgeleden met een Ig Nobelprijs beloond zijn? Gelukkig maar, want deze felbegeerde prijs legt de vrolijke kant van wetenschap bloot. Aan de andere kant zet het winnende onderzoek ook aan tot nadenken. Mijn absolute favoriet van dit jaar is de biologieprijs. Twee Australische insectenkenners ontdekten dat mannetjes van de prachtkever Julodimorpha bakewelli vrouwtjes van hun eigen soort links laten liggen en verwoedde pogingen doen om met een bepaald type bierfles te paren. Het glimmend bruine glas van de flesjes, leeggedronken en in de wegberm gegooid, vertoont sterke overeenkomst met de kleur van de vrouwtjeskever, en bovendien weerspiegelen de karakteristieke antislipbobbeltjes op de fles het licht op dezelfde manier als de putjes in de dekschilden van de kever. Dit in eerste instantie lachwekkende gedrag leidt ook tot nadenken. De pijnlijke vergissing van de kever toont namelijk aan dat milieuvervuiling directe invloed kan hebben op het voortplantingsgedrag van een diersoort. Daar waar de prachtkever zijn leefgebied deelt met de bierdrinkende mens kunnen de gevolgen voor de kever dramatisch zijn.

Een vergelijkbare vergissing heb ik voor u uit het Ig Nobelarchief gevist. In 2002 won de Engelsman Charles Paxton de biologieprijs voor zijn publicatie met de prachtige titel ‘Baltsgedrag van struisvogels ten opzichte van mensen op boerderijen in Groot-Brittannië’. De nieuwsgierige onderzoeker stelde vast dat op struisvogelfarms zowel mannetjes als vrouwtjes hun verzorgers het hof maken. Mannetjesstruisvogels vertonen daarbij het bekende kantelgedrag waarbij ze op hun hurken zakken, met de vleugels flapperen en de nek heen en weer wiegen. De opgewonden wijfjes namen in de nabijheid van mensen zelfs de uitnodigende paarpositie aan: voorover gebogen, met de vleugels naar voren en de klepperende snavel dicht bij de grond. Er zijn gelukkig geen kruisingen tussen mens en struisvogel uit voortgekomen, maar een opvallende conclusie is wel dat struisvogels die door de aanwezigheid van mensen seksueel opgewonden raken, beter fokken.

Seksuele interacties tussen mens en dier zijn van alle tijden maar daarbij gaat het initiatief uit van de mens. Andersom komt steeds vaker voor. Mensen maken er een gewoonte van het domein van dieren te betreden en ervaren de gevolgen aan den lijve. U kent vast de legendarische BBC-beelden van de niets vermoedende natuurfilmer die op zijn hoofd tot bloedens toe door een zeldzame Nieuw- Zeelandse papegaai wordt verkracht. Het zwemmen-met-dolfijnen is ook niet zonder risico’s, en er is zelfs een wetenschappelijk beschreven geval van een soepschildpad die een duiker doelgericht aanrandt.

Hoewel ik bij dit soort gevallen de lach niet kan onderdrukken, zetten ze mij ook aan het denken.

[Bronnen:]

Bowen, B.W. 2007 – Sexual Harassment By a Male Green Turtle (Chelonia mydas)Marine Turtle Newsletter 117: 10

Bubier, N.E., Paxton, C.G.M., Bowers, P. & Deeming, D.C., 1998 – Courtship behaviour of ostriches (Struthio camelus) towards humans under farming conditions in Britain British Poultry Science 39: 477-481

Gwynne, D.T. & Rentz, D.C.F., 1983 – Beetles on the Bottle: Male Buprestids Mistake Stubbies for Females (Coleoptera)Journal of the Australian Entomological Society 22: 79-80

Shagged by a rare parrot – Last Chance To See – BBC Two’ [YouTube video, 29 september 2009]

De Ig Nobelprijzen 2011 zijn 29 september, 19.30 uur US-Eastern time, in het Sanders Theater van de Harvard Universiteit in Cambridge, Massachusetts, uitgereikt aan tien nieuwe winnaars die met hun onderzoek ‘mensen eerst aan het lachen brengen, en daarna aan het denken zetten’. De ceremonie, vol chemie en papieren vliegtuigjes, werd bijgewoond door 1200 toeschouwers. Over de hele wereld keken vele tienduizenden naar de live uitzending op YouTube. Het is de 21ste Ig Nobelprijs ceremonie, geproduceerd door het wetenschappelijke humor tijdschrift ‘Annals of Improbable Research’ .

Drie Nederlandse onderzoeken beloond

2011 is een uitzonderlijk goed jaar voor Nederland*: drie Ig Nobelprijzen (Fysiologie, Geneeskunde en Natuurkunde) worden uitgereikt aan de (deels Nederlandse, deels buitenlandse) onderzoekers Natalie Sebanz, Mirjam Tuk, Debra Trampe, Herman Kingma) die verbonden zijn aan vier Nederlandse universiteiten, respectievelijk die van Nijmegen, Twente, Groningen en Maastricht. Voor het eerst sinds 1999 wint een Belgische onderzoeker** een Ig Nobelprijs (Geneeskunde).

=============================================================

De Ig Nobelprijzen van 2011

Fysiologie

Anna Wilkinson (UK), Natalie Sebanz (Radboud Universiteit Nijmegen Nederland, [alsmede Hongarije en Oostenrijk]), Isabella Mandl (Oostenrijk) en Ludwig Huber (Oostenrijk) voor hun studie ‘Geen bewijs voor besmettelijk gapen bij de kolenbranderschildpad’.

Referentie: Anna Wilkinson, Natalie Sebanz, Isabella Mandl & Ludwig Huber – No Evidence Of Contagious Yawning in the Red-Footed Tortoise Geochelone carbonariaCurrent Zoology 57(4): 477-484

Ludwig Huber woonde de Ig Nobel ceremonie bij.

Scheikunde

Makoto Imai, Naoki Urushihata, Hideki Tanemura, Yukinobu Tajima, Hideaki Goto, Koichiro Mizoguchi and Junichi Murakami (Japan), voor het bepalen van de ideale dichtheid van vluchtige wasabi (mierikswortel) om slapende mensen te wekken in het geval van een brand of een andere noodsituatie, en voor de toepassing van deze kennis om het wasabi-alarm uit te vinden.

Referentie: US patent application 2010/0308995 A1. Filing date: Feb 5, 2009.

Makoto Imai, Hideki Tanemura, Yukinobu Tajima, Hideaki Goto, Koichiro Mizoguchi en Junichi Murakami woonden de Ig Nobel ceremonie bij.

Geneeskunde

Mirjam Tuk (Universiteit Twente, Nederland), Debra Trampe (Rijksuniversiteit Groningen, Nederland) en Luk Warlop (Katholieke Universiteit Leuven, België) samen met Matthew Lewis, Peter Snyder en Robert Feldman (USA), en Robert Pietrzak, David Darby en Paul Maruff (Australië), voor het aantonen dat mensen betere beslissingen nemen over een aantal dingen – maar slechtere beslissingen nemen over andere dingen, wanneer zij een sterke drang hebben om te urineren.

Referentie: Mirjam A. Tuk, Debra Trampe & Luk Warlop, 2011 – Inhibitory spillover: Increased Urination Urgency Facilitates Impulse Control in Unrelated DomainsPsychological Science 22(5): 627-633 (PDF)

Referentie: Matthew S. Lewis, Peter J. Snyder, Robert H. Pietrzak, David Darby, Robert A. Feldman & Paul T. Maruff, 2011 – The Effect of Acute Increase in Urge to Void on Cognitive Function in Healthy AdultsNeurology and Urodynamics 30(1): 183-187

Mirjam Tuk, Luk Warlop, Peter Snyder, Robert Feldman en David Darby woonden de Ig Nobel ceremonie bij.

Psychologie

Karl Halvor Teigen van de Universiteit van Oslo (Noorwegen), voor het proberen te begrijpen waarom mensen in het dagelijks leven zuchten.

Referentie: Karl Halvor Teigen, 2008 – Is a Sigh ‘Just a Sigh’? Sighs as Emotional Signals and Responses to a Difficult TaskScandinavian Journal of Psychology 49(1) : 49-57

Karl Halvor Teigen woonde de Ig Nobel ceremonie bij.

Literatuur

John Perry van Stanford University (USA) voor zijn Theorie van Gestructureerde Procrastinatie, die zegt dat om een succesvolle doener te zijn, je altijd aan iets belangrijks moet werken en dat te gebruiken om te voorkomen dat je iets gaat doen dat nog belangrijker is.

Referentie: “Structured Procrastination” John Perry

Collega Deborah Wilkes woonde de Ig Nobel ceremonie namens professor Perry bij.

Biologie

Darryl Gwynne (Canada, Australië, USA) en David Rentz (Australië, USA) voor het ontdekken dat een bepaalde keversoort paart met een specifieke soort Australische bierfles.

Referentie: D.T. Gwynne & D.C.F. Rentz, 1983 – Beetles on the Bottle: Male Buprestids Mistake Stubbies for Females (Coleoptera)Journal of the Australian Entomological Society 22: 79-80 (PDF)

Referentie: D.T. Gwynne & D.C.F. Rentz, 1984 – Beetles on the Bottle – Antenna: Proceedings (A) of the Royal Entomological Society London 8(3): 116-117

Darryl Gwynne and David Rentz woonden de Ig Nobel ceremonie bij.

Natuurkunde

Philippe Perrin, Cyril Perrot, Dominique Deviterne en Bruno Ragaru (Frankrijk), en Herman Kingma (Universiteit Maastricht, Nederland) voor het vaststellen waarom discuswerpers duizelig worden tijdens een worp, en kogelslingeraars niet.

Referentie: Philippe Perrin, Cyril Perrot, Dominique Deviterne, Bruno Ragaru & Herman Kingma, 2000 – Dizziness in Discus Throwers is Related to Motion Sickness Generated While SpinningActa Oto-laryngologica 120(3): 390-395

Wiskunde

Dorothy Martin uit de Verenigde Staten (die voorspelde dat de wereld in 1954 zou vergaan), Pat Robertson uit de Verenigde Staten (die voorspelde dat de wereld in 1982 zou vergaan), Elizabeth Clare Prophet uit de Verenigde Staten (die voorspelde dat de wereld in 1990 zou vergaan), Lee Jang Rim uit Korea (die voorspelde dat de wereld in 1992 zou vergaan), Credonia Mwerinde uit Oeganda (die voorspelde dat de wereld in 1999 zou vergaan), en Harold Camping uit de Verenigde Staten (die voorspelde dat de wereld op 6 september 1994 zou vergaan, en later voorspelde dat dat op 21 oktober 2011 zou gebeuren), voor het onderwijzen van de wereld om voorzichtig te zijn bij het maken van wiskundige aannames en berekeningen.

Vrede

Arturas Zuokas, de burgemeester van Vilnius, Litouwen, voor het aantonen dat het probleem van foutgeparkeerde auto’s opgelost kan worden door er met een tank (pantserwagen) overheen te rijden.

Referentie: Vilnius Mayor A.Zuokas Fights Illegally Parked Cars with Tank [YouTube video]

Referentie: Vilnius mayor goes over the top in crackdown on parking violators [guardian.co.uk, Tuesday 2 August 2011 17.35 BST]

Burgemeester Arturas Zuokas woonde de Ig Nobel ceremonie bij.

Openbare Veiligheid

John Senders van University of Toronto (Canada) voor het uitvoeren van een serie veiligheidsexperimenten waarbij een persoon een auto bestuurt op een snelweg terwijl een vizier dat hem verblindt herhaaldelijk voor zijn gezicht zakt.

Referentie: John W. Senders, et al., 1967 – The Attentional Demand of Automobile DrivingHighway Research Record 195: 15-33

Referentie: Pioneer Days on Rt 128. [YouTube]

Referentie: A true human factors pioneer in action (CogWorks Lab [website])

John Senders (90!) woonde de Ig Nobel ceremonie bij.

===========================================================

Zeven van de tien nieuwe winnaars reisden vanuit vier continenten – op eigen kosten – naar Harvard om hun prijzen in ontvangst te nemen.

De Ig Nobelprijzen werden fysiek aan de winnaars overhandigd door zes echte Nobelprijswinnaars: Dudley Herschbach (scheikunde, 1986), Rich Roberts (fysiologie of geneeskunde, 1993), Roy Glauber (natuurkunde, 2005 ), Eric Maskin (economie, 2007), Peter Diamond (economie, 2010) en Louis Ignarro (fysiologie of geneeskunde, 1998). Professor Ignarro werd weggegeven in de Win-een-Date-met-een-Nobel-Laureate wedstrijd.

De ceremonie kende ook talrijke hommages aan het thema van de avond ‘Chemie’, waaronder een uitvoering van het klassieke lied “The Elements” van Tom Lehrer’s door Nobelprijswinnaar Rich Roberts en de Harvard Medical School professor Thomas Michel.

Het was elke nieuwe winnaar toegestaan een dankwoord van maximaal van zestig (60) seconden uit te spreken; de tijd werd bewaakt door een schattig maar onverbiddelijk achtjarig meisje.

* Eerdere Nederlandse Ig Nobelprijswinnaars:

2000 André Geim (natuurkunde: zwevende kikkers in magnetisch veld)

2000 Pek van Andel c.s. (geneeskunde: seks in de MRI scanner)

2003 Kees Moeliker (biologie: homoseksuele necrofilie bij de wilde eend)

2006 Bart Knols & Ruurd de Jong (biologie: malariamuggen, voetengeur en Limburgse kaas)

2007 Annelies van Bronswijk (biologie: mijten en ander gedierte in ons bed)

2010 Simon Rietveld & Ilja van Beest (geneeskunde: astma in de achtbaan)

** Met uitzondering van Frans Van de Werf (Katholieke Universiteit Leuven) die samen met 975 co-auteurs de Ig Nobel literatuurprijs in 1993 won voor het publiceren van een wetenschappelijk medisch artikel met honderd keer zoveel auteurs als bladzijden.

In 2011 ben ik elke maand één keer ‘columnist van de week’ bij Vroege Vogels op radio 1. Zondag 11 september om 8.30 uur was de negende in de reeks ‘Uit de Koker van Kees’ te beluisteren. Het volledige programma werd uitgezonden vanuit het Natuurhitorisch Museum Rotterdam. Het was een thuiswedstrijd voor mij. Dit is de uitgeschreven tekst:

Nu ik vanuit Het Natuurhistorisch – al ruim 20 jaar mijn werkplek – deze column mag uitspreken, vertel ik u graag hoe wij hier in het museum de natuur verzamelen, bestuderen en in kaart brengen. Vroeger, ver voor mijn tijd, ging dat uitsluitend met vallen, netten en de luchtbuks. Mijn voorgangers lieten links en rechts wat vogels schieten, trokken planten uit de grond, gingen met het vlindernet naar buiten, pielden landslakjes uit boomschors en verrijkten zo de museumcollectie. Bijna alles wat we nu weten over de flora en fauna van Rotterdam vantoen, staat opgeprikt, opgezet, opgeplakt of opgepot in het museum. De collectie is een rijke bron van natuurinformatie uit de tijd dat waarneming.nl nog Science Fiction was.

Tegenwoordig zorgen de natuurbeschermingswetten ervoor dat het museum gerichter en vooral passiever verzamelt. Dat komt er meestal op neer dat ik wacht tot zich iets tegen het raam doodvliegt. Een ware cultuuromslag vond plaats in 1997 toen het museum samen met de Gemeente Rotterdam ‘bureau Stadsnatuur’ oprichtte. Het werd een heuse onderzoeksafdeling van het museum die de natuur van de Maasstad in kaart ging brengen voor stadsbewoners, bestuurders en later ook externe opdrachtgevers. Er werken jonge gedreven veldbiologen die, samen met de modder in hun profielzolen, een schat aan informatie over de stadsnatuur het museum binnen brengen. Eén nadeel: het zijn aaiers. Ze laten de beestjes die ze vangen weer los! Hoogtepunt was de ontdekking van eerste rivierrombout, een prachtige libel, die in 2003 na 100 jaar weer in Rotterdam gevangen werd. Het insect werd uitvoerig bevoeld, gefotografeerd en weer losgelaten! Onvergeeflijk voor de conservator die hem graag in de collectie had opgenomen.

Zonder gekheid: de hoeveelheid informatie die mijn gewaarde collega’s van bureau Stadsnatuur samen met een grote schare vrijwilligers verzamelen, is groot en waardevol. Rotterdam telt – om maar eens wat te noemen – 1090 soorten vlinders en motten, 159 soorten vliegen en muggen, 131 soorten mieren, wespen, hommels en bijen, 38 soorten libellen, 23 soorten sprinkhanen, 48 soorten vissen, 40 soorten zoogdieren, 335 soorten vogels, 11 soorten amfibieën en reptielen, 165 soorten mossen en 911 soorten wilde planten. Die hoge biodiversiteit (wees niet bang, ze zijn er niet allemaal tegelijk) dankt Rotterdam onder andere aan relatief veel en vooral grote parken en het havengebied met veel braakliggende terreinen.

De rijke Rotterdamse stadsnatuur is iets om te koesteren, maar verbeteren kan ook. Verbind groengebieden onderling, stop onmiddellijk met het voorturend maaien van die fijne onkruidveldjes en schaf de bloembakkennatuur af. En, alstublieft, laat weer gras in de Blunderput wortelen.

bronnen:

De Zwarte, Niels, 2010 – De hoogste tijd voor een Rotterdams ecologisch beleid – Straatgras 22(1): 17-18

De Zwarte, Niels, 2010 – De route naar een ecologisch beleid in Rotterdam - Straatgras 22(5): 104-106

Patatmeeuwen

In 2011 ben ik elke maand één keer ‘columnist van de week’ bij Vroege Vogels op radio 1. Zondag 7 augustus om 8.30 uur was de achtste in de reeks ‘Uit de Koker van Kees’ te beluisteren. Dit is de uitgeschreven tekst:

In Rotterdam, op het plein tussen de mega-boekhandel en een elektronicagigant staat de frietkraam van Bram Ladage, een begrip voor de liefhebber van gefrituurde, handgesneden patat. Rondom het uitgifteloket zijn houten vlonders aangelegd waar men comfortabel zittend de snack kan nuttigen. Nog voor koffietijd zit tout Rotterdam er al aan de patat-met, en dat gaat zo de hele dag door. Stadsvogels kennen die plek ook als voedselbron. Dat is de reden dat ik er kom. Ik nestel mij dan tussen de boodschappentassen en observeer mensen en vogels.

Spreeuwen zie ik er niet meer. Er lopen nog wat stadsduiven rond met hun misvormde pootjes en pokdalige snavels, maar de meeuwen zijn het talrijkst. Het zijn er momenteel een stuk of twintig van de soort zilvermeeuw – fiere, grote zeevogels die verse vis, schelp- en schaaldieren hebben verruild voor fast food en menselijk afval. Ze zijn nog in het bedelstadium: zo gauw een patateter zich neerzet, dribbelt de meeuw naderbij tot de voeten en kijkt indringend omhoog. Mijn observaties wijzen vervolgens op een driedeling in de maatschappij.

(1) De mens heeft slechts oog voor zijn zak patat en de meeuw ontgaat hem/haar volkomen.

(2) De mens kijkt vol afschuw naar de meeuw, noemt hem ‘tiefusvogel’ of iets van gelijke strekking en gebaart wild met zijn of haar armen en benen om hem weg te jagen. Het komt hierbij voor dat er patat gemorst wordt, waarna de meeuw gretig toehapt.

(3) De mens deelt zijn voedsel met de meeuw en voert hem tenminste een kwak mayonaise of een te klef of te hard gebakken frietje. Deze groep is de grootste en deelt vaak meer dan de helft van de puntzak met de aanwezige meeuwen.

Dankzij groep 3 ontbreekt de noodzaak voor de meeuwen om agressiever te werk te gaan. Er zijn echter talloze gevallen bekend waarbij meeuwen in volle vlucht en met uiterste precisie ijsjes en andere lekkernijen uit de handen van mensen roven. In Rotterdam heb ik dat nog niet gezien.

De patatmeeuwen zijn slim. Ze hebben hun natuurlijke leefomgeving – zee, strand en duin – permanent verruild voor de stad. Ze broeden op daken, foerageren op dezelfde plekken als de stadsmens en maken ook dankbaar gebruik van het afval dat mensen produceren. Vooral in steden waar men nog plastic vuilniszakken op straat zet, leidt dat tot overlast want meeuwen trekken de zakken open op zoek naar etensresten. Dat hoeft natuurlijk niet zover te komen.

Gemeenten met een meeuwenprobleem adviseer ik om eens met Bram Ladage of een andere patatkoning te gaan praten.

Follow

Get every new post delivered to your Inbox.