Rode auto’s, vogelpoep en waterkevers

Eindelijk weer eens een column in het radio 1 programma ‘Vroege Vogels‘ . Het is de twintigste, uitgesproken zondag 26 augustus 2012. Hier is de uitgeschreven tekst. [en hier is ie te beluisteren]

Na de files, de benzineprijzen, de maximumsnelheid en de wegenbelasting is vogelpoep de grootste ergernis van de autobezitter. Ik spreek uit ervaring. Neem de houtduif die stelselmatig zijn darmen leegt boven de motorkap van mijn oude Saab. Als ik die gore prut niet snel met lauwwarm water verwijder, droogt het in tot een mix van papier-maché en cement. Zelfs nummer 6 in de wasstraat haalt dan niets meer uit. Het leed is helemaal niet te overzien als je per ongeluk je auto onder een spreeuwenslaapboom parkeert,  of in de buurt van een vliegroute van reigers.

De gevolgen van vogelstront op autolak zijn wetenschappelijk vastgesteld: de verteringsenzymen in de uitwerpselen tasten de doorzichtige extra beschermlaag aan, waardoor de onderliggende lak dof wordt. Poepjes met pitjes, van zaadeters, zijn schadelijker dan meeuwenflotsen. In Engeland becijferde verzekeraars dat vogelpoep jaarlijks 57 miljoen pond kost aan lakreparaties. Dat wil niemand, toch?

De vraag is: hoe voorkom je dat je auto bescheten wordt? De Britse tak van firma Halfords die poetsmiddelen en autoaccessoires verkoopt, deed daar afgelopen zomer een leuk onderzoek naar. Conclusie: koop geen rode auto. Waarom? Zij stelden in twee opeenvolgende dagen de aanwezigheid van vogelpoep vast op 1140 auto’s in vijf steden in het Verenigd Koninkrijk, en relateerden de resultaten aan de kleur van het koetswerk. Groene auto’s werden het minst bevuild, rode het meest. De meest voorkomende autokleuren, zwart en zilver, ontvingen een gemiddeld aantal vogelpoepjes.

Grappig natuurlijk, maar de resultaten zeggen meer over waar de auto’s geparkeerd stonden dan over gericht poepen op rode auto’s. Vogels kunnen uitstekend kleuren zien. Ze gebruiken dat vermogen om voedsel te vinden, gevaar te ontdekken, concurrenten af te schrikken en een partner te selecteren – niet om autootje te pesten.

Toch hebben rode auto’s een bijzondere aantrekkingskracht. Waterinsecten, zoals haften, wantsen en waterkevers, blijken in de periode dat ze vliegen massaal op rode autodaken te landen. Rode autolak en gladde wateroppervlakten polariseren het licht namelijk op exact dezelfde manier. De insecten zien rode auto’s dus aan voor water. De gevolgen zijn desastreus: zowel de insecten als de eieren die ze leggen drogen uit op het hete autodak. De autobezitter blijft ook niet schadevrij, want bij hoge temperaturen produceren insecteneieren zwavelzuur. Dat brandt lekker in de lak, meer nog dan vogelpoep.

Bronnen

‘Bright red cars attract more bird droppings than vehicles of any other colour, according research from Halfords.’ Press Release, 19 June 2012. (www.halfordspressoffice.com)

György Kriska, Zoltán Csabai, Pál Boda, Péter Malik & Gábor Horváth, 2006 – Why do red and dark-coloured cars lure aquatic insects? The attraction of water insects to car paintwork explained by reflection–polarization signals – Proceedings of the The Royal Society B 273: 1667-1671 doi: 10.1098/rspb.2006.3500

Nilsson A.N., 1997 – On flying Hydroporus and the attraction of H. incognitus to red car roofs – Latissimus 9: 12–16

van Vondel B.J, 1998 Another case of water beetles landing on a red car roof. Latissimus 10: 29

Stevani C.V, Faria D.L.A, Porto J.S, Trindade D.J, Bechara E.J.H, 2000 – Mechanism of automotive clearcoat damage by dragonfly eggs investigated by surface enhanced Raman scattering – Polym. Degrad. Stab. 68: 61–66. doi:10.1016/S0141-3910(99)00165-2

Eerst lachen, dan nadenken

In 2011 ben ik elke maand één keer ‘columnist van de week’ bij Vroege Vogels op radio 1.  Zondag 9 oktober om 8.30 uur was de tiende in de reeks ‘Uit de Koker van Kees’ te beluisteren. Dit is de uitgeschreven tekst:

Heeft u ook zo gelachen om de onderzoeken die kortgeleden met een Ig Nobelprijs beloond zijn? Gelukkig maar, want deze felbegeerde prijs legt de vrolijke kant van wetenschap bloot. Aan de andere kant zet het winnende onderzoek ook aan tot nadenken. Mijn absolute favoriet van dit jaar is de biologieprijs. Twee Australische insectenkenners ontdekten dat mannetjes van de prachtkever Julodimorpha bakewelli vrouwtjes van hun eigen soort links laten liggen en verwoedde pogingen doen om met een bepaald type bierfles te paren. Het glimmend bruine glas van de flesjes, leeggedronken en in de wegberm gegooid, vertoont sterke overeenkomst met de kleur van de vrouwtjeskever, en bovendien weerspiegelen de karakteristieke antislipbobbeltjes op de fles het licht op dezelfde manier als de putjes in de dekschilden van de kever. Dit in eerste instantie lachwekkende gedrag leidt ook tot nadenken. De pijnlijke vergissing van de kever toont namelijk aan dat milieuvervuiling directe invloed kan hebben op het voortplantingsgedrag van een diersoort. Daar waar de prachtkever zijn leefgebied deelt met de bierdrinkende mens kunnen de gevolgen voor de kever dramatisch zijn.

Een vergelijkbare vergissing heb ik voor u uit het Ig Nobelarchief gevist. In 2002 won de Engelsman Charles Paxton de biologieprijs voor zijn publicatie met de prachtige titel ‘Baltsgedrag van struisvogels ten opzichte van mensen op boerderijen in Groot-Brittannië’. De nieuwsgierige onderzoeker stelde vast dat op struisvogelfarms zowel mannetjes als vrouwtjes hun verzorgers het hof maken. Mannetjesstruisvogels vertonen daarbij het bekende kantelgedrag waarbij ze op hun hurken zakken, met de vleugels flapperen en de nek heen en weer wiegen. De opgewonden wijfjes namen in de nabijheid van mensen zelfs de uitnodigende paarpositie aan: voorover gebogen, met de vleugels naar voren en de klepperende snavel dicht bij de grond. Er zijn gelukkig geen kruisingen tussen mens en struisvogel uit voortgekomen, maar een opvallende conclusie is wel dat struisvogels die door de aanwezigheid van mensen seksueel opgewonden raken, beter fokken.

Seksuele interacties tussen mens en dier zijn van alle tijden maar daarbij gaat het initiatief uit van de mens. Andersom komt steeds vaker voor. Mensen maken er een gewoonte van het domein van dieren te betreden en ervaren de gevolgen aan den lijve. U kent vast de legendarische BBC-beelden van de niets vermoedende natuurfilmer die op zijn hoofd tot bloedens toe door een zeldzame Nieuw- Zeelandse papegaai wordt verkracht. Het zwemmen-met-dolfijnen is ook niet zonder risico’s, en er is zelfs een wetenschappelijk beschreven geval van een soepschildpad die een duiker doelgericht aanrandt.

Hoewel ik bij dit soort gevallen de lach niet kan onderdrukken, zetten ze mij ook aan het denken.

[Bronnen:]

Bowen, B.W. 2007 – Sexual Harassment By a Male Green Turtle (Chelonia mydas)Marine Turtle Newsletter 117: 10

Bubier, N.E., Paxton, C.G.M., Bowers, P. & Deeming, D.C., 1998 – Courtship behaviour of ostriches (Struthio camelus) towards humans under farming conditions in Britain British Poultry Science 39: 477-481

Gwynne, D.T. & Rentz, D.C.F., 1983 – Beetles on the Bottle: Male Buprestids Mistake Stubbies for Females (Coleoptera)Journal of the Australian Entomological Society 22: 79-80

Shagged by a rare parrot – Last Chance To See – BBC Two’ [YouTube video, 29 september 2009]

De haringscheet

In 2011 ben ik elke maand één keer ‘columnist van de week’ bij Vroege Vogels op radio 1. Zondag 12 juni om 8.30 uur was de zesde in de reeks ‘Uit de Koker van Kees’ te beluisteren. Dit is de uitgeschreven tekst: (hier te beluisteren)

Snuit iets toegespitst, onderkaak steekt voor de bovenkaak uit; rugvin begint even voor het midden van het lichaam, de anaalvin staat ver naar achteren, de buikvinnen precies onder de rugvin. Kleur: rugzijde donker olijfgroen, buik en flanken witachtig; levende of nog met schubben bedekte dode exemplaren vertonen een prachtige parelmoerglans. Lengte tot 45 centimeter.’[1] U kent deze diersoort vermoedelijk zonder kop, wervelkolom en ingewanden als ‘Hollandse Nieuwe’ en heeft er de afgelopen dagen vast wel een gegeten, met of zonder ui of zure bom, op een broodje, uit de hand of met een prikkertje, met een jonge jenever, of – zoals bij mijn visboer – met een glas Chablis. Hendrikje van Andel-Schipper, in 2005 met 115 jaar de oudste in leven zijnde wereldburger, at er dagelijks een, met een glaasje sinasappelsap. Misschien kent en eet u de vis als kipper, bokking of rolmops.

Het is de haring, in 1758 officieel Clupea harengus genoemd door Linnaeus, en nog steeds een van de talrijkste en succesvolste vissoorten van onze planeet. Hij leeft in kustwateren aan beide zijden van de Atlantische Oceaan, in enorme scholen. De grootste school ooit gezien besloeg vier kubieke kilometer en telde naar schatting vier miljard haringen. De oudst bekende haring bereikte een leeftijd van 22 jaar. Wij eten hem onvolgroeid als tweejarig jonkie van hooguit een centimeter of twintig. Geslachtsrijp zijn ze pas na drie jaar. Dan gaan ze gezamenlijk paaien. Zowel de eierstokken als de testikels vullen dan de volledige buikholte en wegen twintig procent van het totale lichaamsgewicht [3]. De haringwijfjes laten elk gemiddeld 30.000 kleverige eitjes (kuit) in zee lopen, die de mannetjes met hun hom bevruchten.

Het succes van de haring als soort zit waarschijnlijk in de grote scholen waarin ze leven. Ze kunnen zo roofvissen en dolfijnen verwarren en afschrikken, de kans verkleinen dat ze opgegeten worden, zich beter oriënteren en synchroon voedsel zoeken.

De haring kan uitstekend horen en maakt geluid voor de zo belangrijke onderlinge communicatie. De snel herhaalde in geluidsvolume afnemende pulstonen werden halverwege de jaren tachtig onbedoeld ontdekt door de Zweedse marine. Het geluid werd jarenlang toegeschreven aan Sovjet onderzeeërs die in de Oostzee zouden spioneerden. Visbiologen [2] toonden later aan dat haringen het bewuste geluid produceerden door (anale) winden te laten die net boven de menselijke gehoordrempel uitkomen. In Zweden haalde men opgelucht adem. De haringscheet werd heel toepasselijk FRT (Fast Repetitive Tick) genoemd. Luister maar. [4]

bronnen:

[1] Redeke, H.C. 1941 – De visschen van Nederland – A.W. Sijthoff’s Uitgeversmaatschappij N.V., Leiden

[2] Magnus Wahlberg & Håkan Westerberg, 2003 – Sounds produced by herring (Clupea harengus) bubble release – Aquatic Living Resources 16(3): 271-275

[3] Bucholtz, R.H., Tomkiewicz, J. & Dalskov, J., 2008 – Manual to determine gonadal maturity of herring (Clupea harengus L.) – DTU Aqua-report 197-08, Charlottenlund: National Institute of Aquatic Resources. 45 p.

[3] Ben Wilson, Robert S Batty & Lawrence M Dill, 2004 – Pacific and Atlantic herring produce burst pulse sounds – Proc. R. Soc. Lond. B (Suppl.) 271: 95– 97

Dode vogels

In 2011 ben ik elke maand één keer ‘columnist van de week’ bij Vroege Vogels op radio 1. Zondag 6 februari om 8.30 uur was de tweede column in de reeks ‘Uit de Koker van Kees’ te beluisteren:

Terwijl overal ter wereld melding gedaan werd van vogels die massaal dood uit de lucht vielen, leek Nederland aan deze mysterieuze vogelsterfte te zijn ontkomen. Ik wilde eigenlijk ook niets meer zeggen of schrijven over de zwaar overtrokken berichtgeving dat een paar duizend dode spreeuwen het einde der tijden zou betekenen. En toen – halleluja – net toen de hype leek overgewaaid, verscheen afgelopen dinsdag het bericht dat er in Groningen dode vogels uit de lucht waren gevallen.

De bron van het nieuws staat op internet: een filmpje waarop te zien is dat de Marktstraat bezaaid ligt met een stuk of wat dode vogels terwijl er links en rechts nog een paar op het plaveisel kwakken. Voorbijgangers staan verbaasd stil en degene die het filmpje zo te zien met zijn mobiele telefoon had gemaakt, roept ‘ieuw, ieuw, wat is dit’. Ik rook onraad toen er op een dode vogel werd ingezoomd: het was een merel. Merels leven niet in groepen en vallen ook niet gezamenlijk (dood) uit de lucht. Het nieuws bleek een hoax te zijn. Het filmpje was knap in elkaar gefotoshopt door Giso Spijkerman en één slimme tweet van Bram Willemse deed de rest. Het WTF-gebeurt-hier-dode-vogel-filmpje verspreidde zich razendsnel over het internet. Een geslaagde grap waarvoor – ik zeg het er maar even bij – geen vogels moedwillig zijn gedood. Ook de volksgezondheid is niet in gevaar geweest. De Dierenambulance leverde één diepgevroren merel en Computer Graphics zorgden voor de speciale effecten.

Als de Groningse creatieven het spreeuwen hadden laten regenen, dan was ik er zeker in getuind. De massale vogelregen tijdens oudejaarsavond in Arkansas die zoveel aandacht trok, betrof namelijk spreeuwen en in alle andere gevallen die volgden was er ook sprake van vogels die in grote groepen slapen. De dood van deze vogels was overigens niets bijzonders: ze vielen niet dood uit de lucht, maar vlogen zich in paniek dood tegen daken en de grond. De ophef over deze incidentele sterfte van algemene vogels is zwaar overdreven. Er zijn wereldwijd miljarden vogels. Een jaarlijkse sterfte van 50% is niet uitzonderlijk en deert de populaties niet.

Het zijn de dramatische doodsoorzaken die de aandacht trekken. Maar mensen en media zouden meer aandacht moeten hebben voor sluipende processen die vogels echt bedreigen, zoals ontbossing, verdroging, landschapsversnippering en klimaatverandering. Denkt u daar maar eens aan als u dit voorjaar via de fenolijn hoort dat de bonte vliegenvangers weer te laat terug zijn uit Afrika om van de steeds vroeger optredende insectenpiek te profiteren. Ze gaan er niet dood van, maar hun broedsels mislukken. Dat is echt funest.

bonus: Dead Birds Falling From The Sky: the making of

zie ook: Dead Birds don’t Fly en Showers of Organic Matter

Voer de eendjes!

Elk voorjaar wanneer de wilde eenden in voortplantings- stemming zijn, brandt de discussie over het eendjesvoeren weer los. Het blijft een hardnekking misverstand dat er een relatie is tussen het eten van (gevoerd) brood en de tamelijk agressieve voortplantingsstrategie van de wilde eend. De kranten stonden er de afgelopen weken weer vol mee. Als eendenman heb ik me er ook even mee bemoeid. Afgelopen zondag, 31 mei 2009 sprak ik er in Vara’s Vroege Vogels op Radio 1 – onder de titel ‘Voer de eendjes!‘ – de volgende column over uit:

Het Amsterdamse stadsdeel Noord heeft een eendenbeleid. Wethouder Harm-Jan van Schaik wil het eendjesvoeren ontmoedigen want door al dat brood, zegt hij ‘[…] leven de eenden veel korter, geen negenentwintig maar slechts twee jaar’. De officiële stadsdeelbioloog voegt daar aan toe: ‘Als eenden teveel brood krijgen, hoeven ze niet meer op zoek te gaan naar natuurlijk voedsel. Verveling en agressie onder de eenden nemen toe, waardoor het aantal verkrachtingen en verdrinkingen door soortgenoten toeneemt. Dat is niet goed voor het dierenwelzijn.’ Wat een flauwekul. Dit zijn de feiten:

(1) De gemiddelde levensverwachting van de wilde eend bedraagt 1,6 jaar en het langstlevende (geringde) exemplaar bereikte een leeftijd van 29 jaar en één maand. Bijvoeren verhoogt de overleving.

(2) Eenden vervelen zich nooit. De tijdwinst die het in ruime hoeveelheden aangeboden brood oplevert, wordt benut met activiteiten die de overleving verhogen, zoals poetsen, het in optimale conditie houden van het verenkleed.

(3) Zowel in de stad als in de broodloze natuur is verkrachting, groepsverkrachting zelfs, onderdeel van de voortplantingsstrategie van de wilde eend. De woerd verkracht niet voor de lol: hij wil nageslacht. Als u slechts drie maanden per jaar een penis zou hebben en uw kroost een levensverwachting van maar anderhalf jaar heeft, dan zou u zich toch ook wat actiever met de voortplanting bezighouden?

Eén troost als u zich opwindt bij het zien van een wijfje dat keer op keer kopje onder gaat: bij die dramatische groepsverkrachtingen heeft de vrouwtjeseend het heft in handen. De anatomie van haar geslachtsorgaan is zo geëvolueerd dat zij ongewenst (zwak) zaad op een zijspoor kan zetten en het zaad van de uitverkoren woerd haar eieren laat bevruchten.

Ik stel voor eenden buiten de discussie te houden en mensen die sloot en plas tot broodpap transformeren net als alle andere milieuvervuilers te bekeuren. Laat de beleidsmakers in Amsterdam niet achteloos voorbijgaan aan de educatieve en emotionele aspecten van het eendjesvoeren. Welke vader of moeder kent niet die intense momenten van geluk langs de waterkant? Ik spreek uit ervaring. Met twee in dobbelsteentjes gesneden oude boterhammen die we langzaam aan de watervogels voeren, breng ik mijn dochter van 1 wekelijks de beginselen van de vogelkunde bij: ‘Geef de nijlgans ook wat, dat is een nieuwkomer. Daar is de mannetjeseend met zijn groene kop, let op de mooie krul in zijn staart. Die met dat saaie, bruine verenpak is de vrouwtjeseend. Kijk een paring! Het mannetje schudt met zijn staart, dat wijst op een zaadlozing.’

Gelukkig woon ik in Rotterdam, waar ze nog geen eendenbeleid hebben.

De McFlurry Egel

Over de wonderlijke relatie tussen een ijsje, de egel en mijzelf sprak ik op 3 mei 2009 als ‘Columnist van de Week‘ in het Radio 1 programma Vroege Vogels de volgende tekst uit:

Een van de weinige verslavingen die ik heb, is de McFlurry. Dat is een vanille-ijsje waar ze (nog meer) zoetigheid op strooien en er vervolgens doorheen draaien, M&M’s bijvoorbeeld. Heerlijk! Als ik in de buurt ben van een vestiging van de hamburgergigant die ze verkoopt, dan val ik er voor. Ik heb deze zwakte lang voor me gehouden, maar nu kom ik er mee naar buiten vanwege 2009, het Jaar van de Egel.

Egels en McFlurry hebben namelijk al jarenlang een vertroebelde relatie. Dat heeft te maken met de voorliefde van egels voor melkproducten, en de karakteristieke McFlurry-verpakking: een kartonnen beker waarop een taps toelopende, witte plastic kraag wordt geplaatst. Daar waar McFlurry-liefhebbers en egels allebei voorkomen – bijvoorbeeld aan stadsranden of langs uitvalswegen – ontstonden problemen. Achteloos weggeworpen lege ijsbekers werden vele egels fataal. Op zoek naar restjes gesmolten ijs, bleven egels met hun stekels achter de plastic kraag van de beker steken. Ze konden er niet meer uit, bleven met de beker op hun kop rondlopen en stierven van de honger of liepen blind het water in en verdronken. De grove ontwerpfout is verklaarbaar, want McFlurry werd in Canada ontwikkeld. In Noord-Amerika komen geen egels voor.

Het eerste McFlurry-slachtoffer dat ik als conservator van het Natuurhistorisch Museum Rotterdam in handen kreeg (een volwassen mannetje), heb ik laten opzetten – compleet met de ijsbeker die hem fataal werd. Ik laat het ensemble (bijgenaamd de McFlurry Egel) wel eens aan museumbezoekers zien en zeg dan – op opvoedende toon – dat afval in de daartoe bestemde bakken hoort. Vooral kinderen zijn daarvan onder de indruk.

Ik heb mij sindsdien afgevraagd waarom het ijsje niet simpelweg zonder die domme, egeldodende kraag wordt aangeboden? Dat bleek onmogelijk, aldus de hamburgergigant. De plastic kraag voorkomt dat het ijs en het zoete strooigoed tijdens het machinale roeren over de rand van de beker spettert. Bovendien geeft de kraag het product zijn onmiskenbare uiterlijk. Toch heeft de machtige Britse egellobby er in 2006 voor gezorgd dat ‘na uitgebreid onderzoek en testen’ de doorsnede van de opening van de kraag is verkleind van 55 naar krap 35 millimeter. Een egel zou zijn kop er niet meer doorheen kunnen wurmen. In 2007 volgde Duitsland en vorig jaar is de egelvriendelijke McFurry-kraag eindelijk in Nederland in gebruik genomen. Jonge, kleine egels kunnen overigens nog steeds met gemak klem komen te zitten. Dat heb ik uitgeprobeerd met een dood, jong egeltje.

Is de aangedragen oplossing dan helemaal voor niets geweest? Nee, uit eigen ervaring weet ik dat de McFlurry vrijwel onmogelijk door de nieuwe, kleine opening leeg te lepelen is. Er rest niets anders dan het verwijderen van de kraag van de beker. Je ontneemt het ijsje wel zijn identiteit, maar daarmee is de egel zeker geholpen.

Mijn eerdere – inmiddels klassieke – Vroege Vogel columns zijn hier te lezen: ‘Red de schaamluis!’ (2 december 2007), Tel de huismus!‘ (3 februari 2008) en ‘Seksuele kwelling‘ (25 mei 2008).