Braakbalgeneugten

In 2011 ben ik elke maand één keer ‘columnist van de week’ bij Vroege Vogels op radio 1. Zondag 3 april om 8.30 uur was de vierde in de reeks ‘Uit de Koker van Kees’ te beluisteren. Dit is de uitgeschreven tekst:

Deze week ben ik helemaal in de ban van uilen. Dat heeft met de tentoonstelling ‘Nachtbrakers’ te maken die gisteren opende in het Natuurhistorisch Museum waar ik werk. Het staat er vol opgezette uilen en overal klinkt hun onheilspellend geroep. In het museumkantoor worden we er langzaam horendol van. Nog even en ik droom over het hoe-hoe-hoe … oe-oe-oe-oe-oe (bosuil), hoe-oeh (ransuil) en kieuw-kieuw (steenuil). Dit soort geluiden zijn eigenlijk de enige signalen die verraden dat er ergens uilen voorkomen. Het zijn namelijk nachtdieren die zich overdag slapend schuilhouden in coniferen of zich vermomd als boomschors verstoppen. In Zuid-Europa spant de dwergooruil de kroon. In bijna elk dorpsplantsoen klinkt zijn monotone pjoe … pjoe … pjoe de godganse nacht, maar ik heb het zien van dit kreng lang geleden opgegeven.

Nee, geef mij maar uilenballen. Dat zijn tastbare, onverteerbare resten van muizen en andere prooidieren die uilen in de maag samenpersen tot langwerpige pakketjes en vervolgens uitbraken. Gemiddeld ruim twee per etmaal. Met haren, veren en slijm als verbindende massa, zijn ze gevuld met botjes, schedels, kaakjes en snavels. Door die braakballen uit te pluizen en de inhoud op naam te brengen, krijg je inzicht in de voedselkeuze van de uilen die ze uitbraakten.

Braakballenpluizen is niet alleen leuk en leerzaam voor kinderen. Het is ook voor grote mensen een heerlijk rustgevend en inspirerend werkje. Ik heb er ooit 2481 van de ransuil uitgeplozen en teer daar nog steeds op. Alleen al het ruiken van de ondefinieerbare geur van een portie verse braakballen brengt bij mij dierbare herinneringen terug aan lange dagen onbekommerd peuteren, sorteren en determineren.

Mensen produceren geen braakballen, maar er is wel onderzoek gedaan naar de vraag welke delen van het skelet van een ingeslikt klein zoogdier in menselijke uitwerpselen terug te vinden zouden zijn. Dat lijkt een onzinnige vraag, maar voor archeologen die regelmatig muizenbotjes opgraven en zich afvragen of die door mensen of uilen achtergelaten zijn, is het antwoord goud waard. Brian Crandall en Peter Stahl van de Universiteit van Binghamton in de Verenigde Staten consumeerden daartoe – zonder te kauwen – een gevilde en licht gekookte spitsmuis. Vervolgens zeefden ze hun ontlasting van drie dagen en onderzochten ze de onverteerde resten. Slechts 28 van alle 131 afzonderlijke spitsmuisbotjes werden in de poep teruggevonden. Opvallende verdwijningen: een onderkaak, het bekken en een scheenbeen. Geloof me: in uilenballen zit veel meer om uit te pluizen.

zie: Brian D. Crandall & Peter W. Stahl, 1995 – Human digestive effects on a micromammalian skeleton – Journal of Archaeological Science 22(6): 789-797

Leave a Reply

Please log in using one of these methods to post your comment:

WordPress.com Logo

You are commenting using your WordPress.com account. Log Out / Change )

Twitter picture

You are commenting using your Twitter account. Log Out / Change )

Facebook photo

You are commenting using your Facebook account. Log Out / Change )

Google+ photo

You are commenting using your Google+ account. Log Out / Change )

Connecting to %s