Natuurhistorie en stadsnatuur

In 2011 ben ik elke maand één keer ‘columnist van de week’ bij Vroege Vogels op radio 1. Zondag 11 september om 8.30 uur was de negende in de reeks ‘Uit de Koker van Kees’ te beluisteren. Het volledige programma werd uitgezonden vanuit het Natuurhitorisch Museum Rotterdam. Het was een thuiswedstrijd voor mij. Dit is de uitgeschreven tekst:

Nu ik vanuit Het Natuurhistorisch – al ruim 20 jaar mijn werkplek – deze column mag uitspreken, vertel ik u graag hoe wij hier in het museum de natuur verzamelen, bestuderen en in kaart brengen. Vroeger, ver voor mijn tijd, ging dat uitsluitend met vallen, netten en de luchtbuks. Mijn voorgangers lieten links en rechts wat vogels schieten, trokken planten uit de grond, gingen met het vlindernet naar buiten, pielden landslakjes uit boomschors en verrijkten zo de museumcollectie. Bijna alles wat we nu weten over de flora en fauna van Rotterdam vantoen, staat opgeprikt, opgezet, opgeplakt of opgepot in het museum. De collectie is een rijke bron van natuurinformatie uit de tijd dat waarneming.nl nog Science Fiction was.

Tegenwoordig zorgen de natuurbeschermingswetten ervoor dat het museum gerichter en vooral passiever verzamelt. Dat komt er meestal op neer dat ik wacht tot zich iets tegen het raam doodvliegt. Een ware cultuuromslag vond plaats in 1997 toen het museum samen met de Gemeente Rotterdam ‘bureau Stadsnatuur’ oprichtte. Het werd een heuse onderzoeksafdeling van het museum die de natuur van de Maasstad in kaart ging brengen voor stadsbewoners, bestuurders en later ook externe opdrachtgevers. Er werken jonge gedreven veldbiologen die, samen met de modder in hun profielzolen, een schat aan informatie over de stadsnatuur het museum binnen brengen. Eén nadeel: het zijn aaiers. Ze laten de beestjes die ze vangen weer los! Hoogtepunt was de ontdekking van eerste rivierrombout, een prachtige libel, die in 2003 na 100 jaar weer in Rotterdam gevangen werd. Het insect werd uitvoerig bevoeld, gefotografeerd en weer losgelaten! Onvergeeflijk voor de conservator die hem graag in de collectie had opgenomen.

Zonder gekheid: de hoeveelheid informatie die mijn gewaarde collega’s van bureau Stadsnatuur samen met een grote schare vrijwilligers verzamelen, is groot en waardevol. Rotterdam telt – om maar eens wat te noemen – 1090 soorten vlinders en motten, 159 soorten vliegen en muggen, 131 soorten mieren, wespen, hommels en bijen, 38 soorten libellen, 23 soorten sprinkhanen, 48 soorten vissen, 40 soorten zoogdieren, 335 soorten vogels, 11 soorten amfibieën en reptielen, 165 soorten mossen en 911 soorten wilde planten. Die hoge biodiversiteit (wees niet bang, ze zijn er niet allemaal tegelijk) dankt Rotterdam onder andere aan relatief veel en vooral grote parken en het havengebied met veel braakliggende terreinen.

De rijke Rotterdamse stadsnatuur is iets om te koesteren, maar verbeteren kan ook. Verbind groengebieden onderling, stop onmiddellijk met het voorturend maaien van die fijne onkruidveldjes en schaf de bloembakkennatuur af. En, alstublieft, laat weer gras in de Blunderput wortelen.

bronnen:

De Zwarte, Niels, 2010 – De hoogste tijd voor een Rotterdams ecologisch beleid – Straatgras 22(1): 17-18

De Zwarte, Niels, 2010 – De route naar een ecologisch beleid in Rotterdam - Straatgras 22(5): 104-106