Bond, … James Bond, vogelaar

Zondag 12 oktober 2014 sprak ik een column uit in het Radio 1 programma Vroege Vogels. Hij is hier te beluisteren en hieronder na te lezen:

Bollinger_Kunsthal_2014_2Het is geen goede combinatie. Op zaterdagavond naar de opening van ‘Designing 007’ de James Bond tentoonstelling in de Kunsthal, en zondagochtendvroeg hier een column voordragen. Ik ben nog een beetje beneveld van de Bollinger, de champagne die er rijkelijk vloeide. Voordeel is wel dat ik mij goed heb kunnen verdiepen in de relatie tussen James Bond en ‘de natuur’.

Het begint al in de eerste Bondfilm, Dr No uit 1962. De Zwitserse actrice Ursula Andress speelt daarin de schelpenduikster Honey Rider die met haar voluptueuze lichaam gracieus uit zee opduikt. Hoewel haar witte bikini doorgaans de meeste aandacht krijgt van filmliefhebbers, mogen de twee grote tropische schelpen waarmee ze boven water komt er ook zijn. De twee mooie roze vleugelhoorns (Strombus gigas) zijn kennelijk niet bewaard gebleven in de Bondarchieven maar de legendarische bikini is wel op de tentoonstelling in Rotterdam te zien.

Ook in de film Dr No plegen schurken een aanslag op James Bond’s leven met een vogelspin, maar onze held – die als de dood is voor spinnen – slaat de achtpotige heldhaftig dood met zijn schoen. En zo zien we in de loop van 50 jaar filmgeschiedenis agent 007 strijd leveren met piranha’s in You Only Live Twice, met talloze gevaarlijke haaien in Thunderball, en met krokodillen en giftige slangen in Live and Let Die. Schorpioen zorgen voor de nodige doden in Diamonds Are Forever. In Skyfall, de laatste Bond-film, wordt 007 uit de handen van moordenaars gered door een komodovaraan.

Bond_birds of the west indies_1936_edited-1De ware liefde voor de natuur van geheimagent 007 komt aan het licht in Die Another Day uit 2002. Daarin zien we hem langs een Cubaans strand met een verrekijker de zee afturen, met het boek ‘The Birds of the West Indies’ (de gids voor de vogels van het Caribisch gebied) onder handbereik. Dat hij geen onschuldige vogelaar is, blijkt al gauw als we door de sterk vergrotende lenzen van zijn verrekijker Bond-girl Halle Berry uit zee zien stappen – met lege handen maar zeker niet minder gevuld dan Ursula Andress. Ik geef Bond gelijk. Wanneer ik bij Hoek van Holland zo’n vrouw uit het water zie komen, zou ik de zeevogels en duinpiepers ook even uit het oog verliezen.

Toch heeft 007 een verrassend hechte band met de vogelkunde. Zijn schepper, de op Jamaica wonend Britse schrijver Ian Fleming, zocht namelijk in 1952 naar een doodgewone naam voor zijn flamboyante geheimagent. Die vond hij op de kaft van zijn favoriete vogelgids ‘The Birds of the West-Indies’ geschreven door, jawel, James Bond. De echte James Bond is dus een vooraanstaand ornitholoog. Hij was conservator van de vogelcollectie van het Natuurhistorisch Museum in Philadelphia, en overleed in 1989 op 89-jarige leeftijd.

Bonus: Een videofragment waarin schrijver en creator van 007 Ian Fleming vertelt hoe en waar hij de naam ‘James Bond’ vond, en als ‘Angelsaksische, gewone maar toch masculine’ naam voor zijn geheimagent gebruikte.

Botsende stadsnatuur

Zondag 1 juni 2014 sprak ik een column uit in het radio 1 programma Vroege Vogels. Het was een bijzondere uitzending vanuit het Natuurhistorisch Museum Rotterdam, in het kader van de IABR 2014 – Urban by Nature – en de expo Pure Veerkracht.  Dit is de uitgeschreven tekst van de column: [beluisteren kan hier]

meerkoet_op_fontein_Westersingel_RotterdamDe stad is ook natuur. Dit motto geven we in het Natuurhistorisch Museum mee aan de nieuwe tentoonstelling ‘Pure Veerkracht’. Die titel verwijst naar de ongekende aanpassingen die dieren en planten laten zien wanneer ze zich in de stad vestigen. Neem de stadsduif die nog maar een paar eeuwen geleden als rotsduif in het hooggebergte nestelde en nu onze bouwwerken bevolkt alsof het kliffen zijn. Of de scholekster die het wad voor de stad omruilt en steeds meer op platte grinddaken broedt. Ze schakelen qua voedsel om van schelpdieren naar wormen en insectenlarven die ze vinden in kort gemaaide grasvelden waar de stad rijk aan is.

Dit is natuurlijk razend slim en veerkrachtig, maar we zien de natuur en de stad ook keihard botsen, en andersom. Neem diezelfde scholeksters. Daar waar ze op daken broeden die aan ramen grenzen, houden ze urenlange schijngevechten met hun spiegelbeeld. Ze knallen tegen de ruiten en houden daarmee complete kantoorverdiepingen van het werk. De vogels zelf komen niet aan broedzorg toe.

Ook het knobbelzwaanpaar dat hier in Rotterdam in de wijk Blijdorp langs een singel broedde, botste – letterlijk. Het mannetje joeg niet alleen honden en wandelaars weg bij het nest, maar viel ook geparkeerde auto’s aan, omdat hij zichzelf als indringer zag in het spiegelende koetswerk. Resultaat: zowel zwaan als buurtbewoners opgefokt en lakschade aan talloze auto’s. De arme watervogel botste later nog harder met de stad: hij vloog tegen een stoplicht, overleed en leidt nu hier (in Het Natuurhistorisch) een tweede leven als ‘de autozwaan’.

Dan zijn er nog de meerkoeten, waarmee het ook goed gaat in de stad. Bijna elke Rotterdamse singel telt meerdere nesten, gemaakt van takken en drijfvuil. Ze hebben voedsel genoeg en het aantal nesten lijkt gereguleerd te worden door de aanwezigheid van een vlondertje, het wrak van een supermarktkarretje of iets anders dat het nest in het water houvast biedt. In steeds meer singels en plassen gebruiken ze nu ook fonteinkoppen om hun nesten op te verankeren. Het zijn prachtplekken, tot de fonteinen gaan spuiten. Dan klettert het water met grote kracht op het takkenbouwsel neer. Meestal blijven de stakkers onverstoorbaar broeden. Terwijl de ene koet op het nest het water trotseert, brengt de andere weggespoeld nestmateriaal terug. Buurtbewoners die dit meerkoetenleed niet kunnen aanzien vragen Gemeentewerken om clementie. De fontein stopt met spuiten. “En de vissen dan?” roept een andere stadsnatuurliefhebber “die hebben toch zuurstof nodig?” Ook daar botst de stadsnatuur.

//

Nog vroegere vogels

Zondag 5 januari 2014 mocht ik een column uitspreken in het radio 1 programma Vroege Vogels. Het was een bijzondere uitzending, want de aanvangstijd vervroegde met ingang van die zondag tot 07.00 uur. Geen twee maar drie uur Vroege Vogels op de radio. Dit is de uitgeschreven tekst van de column: [beluisteren kan hier]

vogelaars_zonsopkomstHoe vroeg moet je eigenlijk je bed uit en naar buiten om optimaal van de natuur te kunnen genieten? Een ongeschreven wet onder natuurvorsers zegt natuurlijk ‘hoe vroeger, hoe beter’. Je hebt dan voordat de dagjesmensen zich massaal vertonen al in alle stilte en eenzaamheid genoten van een zingende tjiftjaf of een roffelende specht. Onderzoek heeft aangetoond dat de meeste vogels in elk jaargetijde in de eerste daglichturen het actiefst zijn: de nacht was koud, kostte energie en zo gauw het kan moet de maag weer vol. In het voorjaar komt daar de voortplantingsdrang nog eens bij. De mannetjes zingen al voor het ochtendgloren of het voortbestaan van hun soort er van afhangt. Broedvogeltellers weten dat: om niets te missen moeten ze twee uur voor zonsopkomst in het veld zijn. Dat is heel erg vroeg!

Zelf heb ik er eigenlijk altijd spijt van gehad dat ik niet aan vlinders of reptielen ben gaan doen, want die komen pas op het heetst van de dag goed op gang. Ik ben niet zo’n ochtendmens.

En hoe zit het met u, luisteraars van dit radioprogramma met hart voor de natuur? Gelooft u het wel op dit uur van de dag? Blijft u net als ik – normaal gesproken – op zondagochtend lekker in bed met de radio aan terwijl buiten de ganzen al trekken en het roodborstje tegen het raam tikt? Bent u ook zo’n soort vroege vogel? Dan bent u een zegen voor de dierenwereld, want alle mensen die al voor dag en dauw goedbedoeld in de natuur lopen te vorsen op hun kaplaarzen of bergwandelschoenen doen dat terwijl er buiten eigenlijk rust moet heersen.

Geloof me, op zondagochtend haalt de natuur opgelucht adem omdat er dan enige honderdduizenden natuurliefhebbers binnen blijven, bij de radio, afgestemd op Vroege Vogels.

Wie er precies verantwoordelijk voor zijn, weet ik niet – Staatssecretaris Dekker, zendermanager Laurens Borst, het Vara-bestuur, de redactie en presentatoren van Vroege Vogels – maar het getuigt van visie en grote liefde voor de natuur om dit programma vanaf vandaag een uur eerder te laten beginnen. Jullie bewijzen de natuur (en de luisteraars) een grote dienst.

Kaapverdische homo’s

Zondag 26 mei 2013 sprak ik een column uit in het Radio 1 programma Vroege Vogels. Hij is hier te beluisteren en hieronder na te lezen:

iago_sparrow_in_hand [Kees Moeliker]De Nederlandse avifauna is weer een exoot rijker. Het gaat om vier Kaapverdische mussen die het afgelopen weekend als verstekelingen op een schip zijn gearriveerd in Zeeland, in het haventje van Hansweert op Zuid-Beveland. Let wel, het zijn geen huismussen afkomstig van de Kaapverdische eilanden, nee, het zijn mussen van een aparte soort (Passer iagoensis) die uitsluitend op die eilanden voor de West-Afrikaanse kust voorkomen. Omdat het schip behalve de mussen ook vogelaars op vogelreis vervoerde, is de zeereis van de nieuwkomers uitstekend gedocumenteerd. Op 6 mei vlogen er vanaf het onbewoonde eilandje Razo elf aan boord. Zeven beproefden hun geluk op Madeira en de vier overgebleven exemplaren, twee mannetjes en twee vrouwtjes, voeren mee naar Nederland. Aan boord werden de hand tamme vogels liefdevol verzorgd met water en brood. Een mannetje sloot vriendschap met de kapitein en verbleef in de stuurhut. Dankzij het wereldwijde web en de sociale media werd de komst van de Kaapverdische mussen ruim van te voren aangekondigd. Ik kon niet wachten op het historische moment dat de eerste mussen uit Afrika in West-Europa zouden aankomen. Op eerste Pinksterdag was ik een van de eersten (met een verrekijker om de nek) die de pioniers welkom heette. Ik trof ze nogal passief aan. Aan het eind van de middag zaten de twee vrouwtjes op het dek te slapen met de kop in de veren. Het mannetje dat in de stuurhut rondfladderde, stond instabiel op zijn pootjes en ademde zwaar. Ik kon hem gemakkelijk pakken. two male iago sparrows in copula on deck Plancius_klDaar stond de conservator, in tweestrijd, met een Kaapverdische mus in handen. Nu heb ik weleens een vogeltje beroepshalve voor de wetenschap ‘verzameld’, maar omringd door stoere zeebonken die een emotionele band met de betreffende mus hadden opgebouwd, stelde ik uit lijfsbehoud voor hem aan dek los te laten. Zo geschiedde. Seconden nadat ik het wankele musje naast een korstje brood had neergezet, dook het andere mannetje er boven op en ontstond een vechtpartij die voor mijn ogen en van die van de twee mussenvrouwtjes eindigde in een onmiskenbare poging tot paring. Dat moet ik weer zien: het eerste dat twee Kaapverdische mussen in Nederland vertonen is homoseksueel gedrag! Hoe moet het nu verder met deze mussen? Faunapuristen zullen gelijk willen ingrijpen, want stel je voor dat ze ooit onze eigen inheemse mussen gaan verdringen of schade veroorzaken in Bevelandse boomgaarden. Ik zeg: stop met voeren, dan gaan ze uiteindelijk van het schip af. Laat ze daarna aan hun lot over. Ze beleven als tropische vogels momenteel de koudste meidagen sinds mensenheugenis. Dat is een goede testcase. Of ze ons klimaat en de overal loerende sperwers (die ze niet kennen) overleven, is afwachten. Mochten ze het toch redden dan is de kans dat deze Kaapverdische homo’s zich ooit zullen voortplanten minimaal.

Hier mijn eerdere blog over de Kaapverdische mussen. BONUS: [gerelateerd, toegevoegd 7 juli 2014] Artikel ‘Homosexual mounting of iago sparrows after ship-assisted arrival in the Netherlands‘ in Dutch Birding 36: 172-173 (2014)

Erken de stad als biotoop!

Zondag 17 maart 2013 mocht ik weer eens een column uitspreken in het Radio 1 programma Vroege Vogels. Hij is hier te beluisteren en hieronder na te lezen:

U kent dat wel. Drukke kantoorbaan, te veel nevenactiviteiten, het huishouden, sociale verplichtingen: ik kom eigenlijk nooit meer ‘buiten in de natuur’. En met mij inmiddels de helft van de wereldbevolking die in steden woont. Wat ik mis is de frisse lucht, maar de planten en dieren die de stad als leefgebied hebben, maken veel goed. Ik hoef eigenlijk niet zo nodig naar het Naardermeer, de Ackersdijkse Plassen of naar andere postzegelgrote natuurgebieden. De stadsnatuur bevredigt mij dicht bij huis.slechtvalk op EMC-logo (Garry Balkker)

Neem nu de slechtvalken die de nieuwbouwtoren van het Erasmus Medisch Centrum in Rotterdam als nieuwe hangplek hebben ontdekt. Een paartje van deze prachtige roofvogels zit regelmatig op de grote blauwe E van Erasmus in het logo dat hoog aan de gevel hangt. Ze overzien de stad en pendelen van daaruit naar de Maasbruggen. ‘Kijk, daar, een slechtvalk!’ zeg ik vaak tegen wandelaars in het Museumpark. Ik wijs dan naar het stipje op het 130 meter hoge gebouw of op een piepklein vogelsilhouet dat hoog in de lucht rondjes draait. Meestal krijg ik meewarige of ongelovige reacties en loopt men snel door, maar soms kan ik mijn verhaal kwijt over de slechtvalk die hoge bouwwerken als aanvulling op zijn natuurlijke leefgebied (klifkusten en ravijnen) heeft ontdekt.  Honderd paar broedt er al in Nederland, van Nijmegen tot Den Bosch en van Amsterdam tot Rijswijk, eigenlijk overal waar hoge gebouwen en andere hoge structuren met vrij uitzicht staan.

Rotsduiven, in de vorm van verwilderde postduiven, volgden dezelfde gang naar de steden en vormen nu het hoofdvoedsel van stadsslechtvalken. In Rotterdam vinden we het bewijs daarvan op de Willemsbrug: er liggen talloze afgekloven duivenkarkassen. Slechtvalken kijken ook al met een schuin oog naar een andere smakelijke stadsvogel, de halsbandparkiet die als exoot eigenlijk nog geen natuurlijke vijanden heeft. Nog even en die lawaaipapegaaien moet er ook aan geloven. De stad doet niet onder voor een natuurlijk ecosysteem.

Met de prognose dat in 2050 ongeveer 70% van de wereldbevolking in steden woont en dat steden groeien in aantal en qua oppervlakte, wordt dat leefgebied voor zowel mens, dier als plant steeds belangrijker. Het is de hoogste tijd de stad te erkennen als een biotoop in het rijtje regenwoud, woestijn en oceaan. Dat leefgebied is weliswaar door de mens gemaakt en heeft de mens als hoofdbewoner, maar dieren en planten vinden en verdienen er ook een plek. Dat maakt de stad tot een fijnere leefomgeving, niet alleen voor slechtvalken, stadsduiven en halsbandparkieten, maar vooral ook voor onszelf.

slechtvalk op EMC logo (Garry Bakker)

Rode auto’s, vogelpoep en waterkevers

Eindelijk weer eens een column in het radio 1 programma ‘Vroege Vogels‘ . Het is de twintigste, uitgesproken zondag 26 augustus 2012. Hier is de uitgeschreven tekst. [en hier is ie te beluisteren]

Na de files, de benzineprijzen, de maximumsnelheid en de wegenbelasting is vogelpoep de grootste ergernis van de autobezitter. Ik spreek uit ervaring. Neem de houtduif die stelselmatig zijn darmen leegt boven de motorkap van mijn oude Saab. Als ik die gore prut niet snel met lauwwarm water verwijder, droogt het in tot een mix van papier-maché en cement. Zelfs nummer 6 in de wasstraat haalt dan niets meer uit. Het leed is helemaal niet te overzien als je per ongeluk je auto onder een spreeuwenslaapboom parkeert,  of in de buurt van een vliegroute van reigers.

De gevolgen van vogelstront op autolak zijn wetenschappelijk vastgesteld: de verteringsenzymen in de uitwerpselen tasten de doorzichtige extra beschermlaag aan, waardoor de onderliggende lak dof wordt. Poepjes met pitjes, van zaadeters, zijn schadelijker dan meeuwenflotsen. In Engeland becijferde verzekeraars dat vogelpoep jaarlijks 57 miljoen pond kost aan lakreparaties. Dat wil niemand, toch?

De vraag is: hoe voorkom je dat je auto bescheten wordt? De Britse tak van firma Halfords die poetsmiddelen en autoaccessoires verkoopt, deed daar afgelopen zomer een leuk onderzoek naar. Conclusie: koop geen rode auto. Waarom? Zij stelden in twee opeenvolgende dagen de aanwezigheid van vogelpoep vast op 1140 auto’s in vijf steden in het Verenigd Koninkrijk, en relateerden de resultaten aan de kleur van het koetswerk. Groene auto’s werden het minst bevuild, rode het meest. De meest voorkomende autokleuren, zwart en zilver, ontvingen een gemiddeld aantal vogelpoepjes.

Grappig natuurlijk, maar de resultaten zeggen meer over waar de auto’s geparkeerd stonden dan over gericht poepen op rode auto’s. Vogels kunnen uitstekend kleuren zien. Ze gebruiken dat vermogen om voedsel te vinden, gevaar te ontdekken, concurrenten af te schrikken en een partner te selecteren – niet om autootje te pesten.

Toch hebben rode auto’s een bijzondere aantrekkingskracht. Waterinsecten, zoals haften, wantsen en waterkevers, blijken in de periode dat ze vliegen massaal op rode autodaken te landen. Rode autolak en gladde wateroppervlakten polariseren het licht namelijk op exact dezelfde manier. De insecten zien rode auto’s dus aan voor water. De gevolgen zijn desastreus: zowel de insecten als de eieren die ze leggen drogen uit op het hete autodak. De autobezitter blijft ook niet schadevrij, want bij hoge temperaturen produceren insecteneieren zwavelzuur. Dat brandt lekker in de lak, meer nog dan vogelpoep.

Bronnen

‘Bright red cars attract more bird droppings than vehicles of any other colour, according research from Halfords.’ Press Release, 19 June 2012. (www.halfordspressoffice.com)

György Kriska, Zoltán Csabai, Pál Boda, Péter Malik & Gábor Horváth, 2006 – Why do red and dark-coloured cars lure aquatic insects? The attraction of water insects to car paintwork explained by reflection–polarization signals – Proceedings of the The Royal Society B 273: 1667-1671 doi: 10.1098/rspb.2006.3500

Nilsson A.N., 1997 – On flying Hydroporus and the attraction of H. incognitus to red car roofs – Latissimus 9: 12–16

van Vondel B.J, 1998 Another case of water beetles landing on a red car roof. Latissimus 10: 29

Stevani C.V, Faria D.L.A, Porto J.S, Trindade D.J, Bechara E.J.H, 2000 – Mechanism of automotive clearcoat damage by dragonfly eggs investigated by surface enhanced Raman scattering – Polym. Degrad. Stab. 68: 61–66. doi:10.1016/S0141-3910(99)00165-2

Vliegveiligheid

In 2011 was ik elke maand  één keer ‘columnist van de week’ bij Vroege Vogels op radio 1.  Zondag 4 december 2011 om 8.30 uur was de twaalfde (en laatste)  in de reeks ‘Uit de Koker van Kees’ te beluisteren. Dit is de uitgeschreven tekst:

Op een mooie avond in oktober van dit jaar vond in de lucht boven Hilversum een botsing plaats tussen een meeuw en een traumahelikopter. De kokmeeuw sloeg een gat in de cockpit en de helikopter moest een noodlanding maken in een weiland. Kennelijk was doorvliegen met een gat en een meeuw in de cockpit geen optie. Dankzij omstanders kon de piloot de schade provisorisch met plakband repareren en zijn vlucht vervolgen. Opmerkelijk detail: het enige slachtoffer van dit ongeluk – de kokmeeuw – werd achtergelaten. Een foto van de plakbandplakkende traumahelikopterpiloot stond de volgende morgen op de voorpagina van De Telegraaf. Over het lot van de meeuw werd niet gerept. Gelukkig zorgden twee Gooise natuurvrienden, Pieter Schut en André van Soest, ervoor dat de dode meeuw niet anoniem tot ontbinding over zou gaan. Ze speurden het kadaver op en schonken het aan Het Natuurhistorisch. Daar is de traumameeuw nu een museumstuk, het eerste luchtvaartslachtoffer dat prachtig past in de serie dramatische vogeldoden die het Rotterdamse museum rijk is.

De traumameeuw is natuurlijk maar één van de vele slachtoffers van botsingen tussen vogels en vliegverkeer. In de Verenigde Staten houdt de Federal Aviation Administration sinds 1990 een database bij, en de teller staat nu op 129.597 goed gedocumenteerde doden. U vergist zich als u denkt dat dit allemaal vogels zijn. De lijst vermeldt 24 gordeldieren, twee bevers, 114 schildpadden, acht leguanen, 369 coyotes, 1019 herten, vier paarden en een varken. Ik neem aan dat deze slachtoffers geen laagvliegers waren, maar niet uitkeken bij het oversteken van de start- of landingsbaan. De Amerikaanse vliegtuigvogeldodenlijst telt overigens 415 soorten, waaronder zelfs kolibries en grasparkieten. Meeuwen, ganzen en roofvogels vormen de hoofdmoot.

Het mag duidelijk zijn dat deze botsingen in de lucht de vliegveiligheid in gevaar brengen – let wel: men heeft het hierbij altijd over de vliegveiligheid voor de mens. Dat is ook de strekking van het deze week verschenen rapport van de Onderzoeksraad voor Veiligheid over de hachelijke noodlanding van een Marokkaans passagiersvliegtuig na een botsing met een groep Canadese ganzen boven onze nationale luchthaven. De aanbeveling van de Onderzoeksraad aan de Minister van Infrastructuur en Milieu luidt dan ook ‘ … de populatie van diverse ganzensoorten in Nederland te reduceren tot [ ... ] een bepaalde omvang en zo het risico van vogelaanvaringen te beperken.’

Deze aanbeveling gaat voorbij aan het feit dat vogels letterlijk vogelvrij zijn. Ze kunnen en zullen vliegen waar zij willen. Als alle Schipholganzen tot kroketten verwerkt zijn, blijft het luchtruim bevolkt met kieviten, kraaien, meeuwen en andere gevleugelde vrienden. Wij hebben daartussen eigenlijk niets te zoeken. In de aardse biosfeer is het water voor de vissen en de lucht voor de vogels. Viervoeters en de enkele diersoort die op zijn achterpoten is gaan lopen, kunnen maar beter op het land blijven.

Bronnen:

Richard A. Dolbeer, Sandra E. Wright, John R. Weller & Michael J. Begier, 2011 – Wildlife Strikes to Civil Aircraft in the United States, 1990–2009 – Federal Aviaton Adminstration, National Wildlife Strike Database Serial Report Number 16

Onderzoeksraad voor Veiligheid, 2011 – Noodlanding na vogelaanvaring, Boeing 737-4B6, Amsterdam Schiphol Airpport, 6 juni 2011. p 1-138