Nog vroegere vogels

Zondag 5 januari 2014 mocht ik een column uitspreken in het radio 1 programma Vroege Vogels. Het was een bijzondere uitzending, want de aanvangstijd vervroegde met ingang van die zondag tot 07.00 uur. Geen twee maar drie uur Vroege Vogels op de radio. Dit is de uitgeschreven tekst van de column: [beluisteren kan hier]

vogelaars_zonsopkomstHoe vroeg moet je eigenlijk je bed uit en naar buiten om optimaal van de natuur te kunnen genieten? Een ongeschreven wet onder natuurvorsers zegt natuurlijk ‘hoe vroeger, hoe beter’. Je hebt dan voordat de dagjesmensen zich massaal vertonen al in alle stilte en eenzaamheid genoten van een zingende tjiftjaf of een roffelende specht. Onderzoek heeft aangetoond dat de meeste vogels in elk jaargetijde in de eerste daglichturen het actiefst zijn: de nacht was koud, kostte energie en zo gauw het kan moet de maag weer vol. In het voorjaar komt daar de voortplantingsdrang nog eens bij. De mannetjes zingen al voor het ochtendgloren of het voortbestaan van hun soort er van afhangt. Broedvogeltellers weten dat: om niets te missen moeten ze twee uur voor zonsopkomst in het veld zijn. Dat is heel erg vroeg!

Zelf heb ik er eigenlijk altijd spijt van gehad dat ik niet aan vlinders of reptielen ben gaan doen, want die komen pas op het heetst van de dag goed op gang. Ik ben niet zo’n ochtendmens.

En hoe zit het met u, luisteraars van dit radioprogramma met hart voor de natuur? Gelooft u het wel op dit uur van de dag? Blijft u net als ik – normaal gesproken – op zondagochtend lekker in bed met de radio aan terwijl buiten de ganzen al trekken en het roodborstje tegen het raam tikt? Bent u ook zo’n soort vroege vogel? Dan bent u een zegen voor de dierenwereld, want alle mensen die al voor dag en dauw goedbedoeld in de natuur lopen te vorsen op hun kaplaarzen of bergwandelschoenen doen dat terwijl er buiten eigenlijk rust moet heersen.

Geloof me, op zondagochtend haalt de natuur opgelucht adem omdat er dan enige honderdduizenden natuurliefhebbers binnen blijven, bij de radio, afgestemd op Vroege Vogels.

Wie er precies verantwoordelijk voor zijn, weet ik niet – Staatssecretaris Dekker, zendermanager Laurens Borst, het Vara-bestuur, de redactie en presentatoren van Vroege Vogels – maar het getuigt van visie en grote liefde voor de natuur om dit programma vanaf vandaag een uur eerder te laten beginnen. Jullie bewijzen de natuur (en de luisteraars) een grote dienst.

Kaapverdische homo’s

Zondag 26 mei 2013 sprak ik een column uit in het Radio 1 programma Vroege Vogels. Hij is hier te beluisteren en hieronder na te lezen:

iago_sparrow_in_hand [Kees Moeliker]De Nederlandse avifauna is weer een exoot rijker. Het gaat om vier Kaapverdische mussen die het afgelopen weekend als verstekelingen op een schip zijn gearriveerd in Zeeland, in het haventje van Hansweert op Zuid-Beveland. Let wel, het zijn geen huismussen afkomstig van de Kaapverdische eilanden, nee, het zijn mussen van een aparte soort (Passer iagoensis) die uitsluitend op die eilanden voor de West-Afrikaanse kust voorkomen. Omdat het schip behalve de mussen ook vogelaars op vogelreis vervoerde, is de zeereis van de nieuwkomers uitstekend gedocumenteerd. Op 6 mei vlogen er vanaf het onbewoonde eilandje Razo elf aan boord. Zeven beproefden hun geluk op Madeira en de vier overgebleven exemplaren, twee mannetjes en twee vrouwtjes, voeren mee naar Nederland. Aan boord werden de hand tamme vogels liefdevol verzorgd met water en brood. Een mannetje sloot vriendschap met de kapitein en verbleef in de stuurhut. Dankzij het wereldwijde web en de sociale media werd de komst van de Kaapverdische mussen ruim van te voren aangekondigd. Ik kon niet wachten op het historische moment dat de eerste mussen uit Afrika in West-Europa zouden aankomen.

Op eerste Pinksterdag was ik een van de eersten (met een verrekijker om de nek) die de pioniers welkom heette. Ik trof ze nogal passief aan. Aan het eind van de middag zaten de twee vrouwtjes op het dek te slapen met de kop in de veren. Het mannetje dat in de stuurhut rondfladderde, stond instabiel op zijn pootjes en ademde zwaar. Ik kon hem gemakkelijk pakken.

two male iago sparrows in copula on deck Plancius_klDaar stond de conservator, in tweestrijd, met een Kaapverdische mus in handen. Nu heb ik weleens een vogeltje beroepshalve voor de wetenschap ‘verzameld’, maar omringd door stoere zeebonken die een emotionele band met de betreffende mus hadden opgebouwd, stelde ik uit lijfsbehoud voor hem aan dek los te laten. Zo geschiedde. Seconden nadat ik het wankele musje naast een korstje brood had neergezet, dook het andere mannetje er boven op en ontstond een vechtpartij die voor mijn ogen en van die van de twee mussenvrouwtjes eindigde in een onmiskenbare poging tot paring. Dat moet ik weer zien: het eerste dat twee Kaapverdische mussen in Nederland vertonen is homoseksueel gedrag!

Hoe moet het nu verder met deze mussen? Faunapuristen zullen gelijk willen ingrijpen, want stel je voor dat ze ooit onze eigen inheemse mussen gaan verdringen of schade veroorzaken in Bevelandse boomgaarden. Ik zeg: stop met voeren, dan gaan ze uiteindelijk van het schip af. Laat ze daarna aan hun lot over. Ze beleven als tropische vogels momenteel de koudste meidagen sinds mensenheugenis. Dat is een goede testcase. Of ze ons klimaat en de overal loerende sperwers (die ze niet kennen) overleven, is afwachten. Mochten ze het toch redden dan is de kans dat deze Kaapverdische homo’s zich ooit zullen voortplanten minimaal.

Hier mijn eerdere blog over de Kaapverdische mussen.

Erken de stad als biotoop!

Zondag 17 maart 2013 mocht ik weer eens een column uitspreken in het Radio 1 programma Vroege Vogels. Hij is hier te beluisteren en hieronder na te lezen:

U kent dat wel. Drukke kantoorbaan, te veel nevenactiviteiten, het huishouden, sociale verplichtingen: ik kom eigenlijk nooit meer ‘buiten in de natuur’. En met mij inmiddels de helft van de wereldbevolking die in steden woont. Wat ik mis is de frisse lucht, maar de planten en dieren die de stad als leefgebied hebben, maken veel goed. Ik hoef eigenlijk niet zo nodig naar het Naardermeer, de Ackersdijkse Plassen of naar andere postzegelgrote natuurgebieden. De stadsnatuur bevredigt mij dicht bij huis.slechtvalk op EMC-logo (Garry Balkker)

Neem nu de slechtvalken die de nieuwbouwtoren van het Erasmus Medisch Centrum in Rotterdam als nieuwe hangplek hebben ontdekt. Een paartje van deze prachtige roofvogels zit regelmatig op de grote blauwe E van Erasmus in het logo dat hoog aan de gevel hangt. Ze overzien de stad en pendelen van daaruit naar de Maasbruggen. ‘Kijk, daar, een slechtvalk!’ zeg ik vaak tegen wandelaars in het Museumpark. Ik wijs dan naar het stipje op het 130 meter hoge gebouw of op een piepklein vogelsilhouet dat hoog in de lucht rondjes draait. Meestal krijg ik meewarige of ongelovige reacties en loopt men snel door, maar soms kan ik mijn verhaal kwijt over de slechtvalk die hoge bouwwerken als aanvulling op zijn natuurlijke leefgebied (klifkusten en ravijnen) heeft ontdekt.  Honderd paar broedt er al in Nederland, van Nijmegen tot Den Bosch en van Amsterdam tot Rijswijk, eigenlijk overal waar hoge gebouwen en andere hoge structuren met vrij uitzicht staan.

Rotsduiven, in de vorm van verwilderde postduiven, volgden dezelfde gang naar de steden en vormen nu het hoofdvoedsel van stadsslechtvalken. In Rotterdam vinden we het bewijs daarvan op de Willemsbrug: er liggen talloze afgekloven duivenkarkassen. Slechtvalken kijken ook al met een schuin oog naar een andere smakelijke stadsvogel, de halsbandparkiet die als exoot eigenlijk nog geen natuurlijke vijanden heeft. Nog even en die lawaaipapegaaien moet er ook aan geloven. De stad doet niet onder voor een natuurlijk ecosysteem.

Met de prognose dat in 2050 ongeveer 70% van de wereldbevolking in steden woont en dat steden groeien in aantal en qua oppervlakte, wordt dat leefgebied voor zowel mens, dier als plant steeds belangrijker. Het is de hoogste tijd de stad te erkennen als een biotoop in het rijtje regenwoud, woestijn en oceaan. Dat leefgebied is weliswaar door de mens gemaakt en heeft de mens als hoofdbewoner, maar dieren en planten vinden en verdienen er ook een plek. Dat maakt de stad tot een fijnere leefomgeving, niet alleen voor slechtvalken, stadsduiven en halsbandparkieten, maar vooral ook voor onszelf.

slechtvalk op EMC logo (Garry Bakker)

Rode auto’s, vogelpoep en waterkevers

Eindelijk weer eens een column in het radio 1 programma ‘Vroege Vogels‘ . Het is de twintigste, uitgesproken zondag 26 augustus 2012. Hier is de uitgeschreven tekst. [en hier is ie te beluisteren]

Na de files, de benzineprijzen, de maximumsnelheid en de wegenbelasting is vogelpoep de grootste ergernis van de autobezitter. Ik spreek uit ervaring. Neem de houtduif die stelselmatig zijn darmen leegt boven de motorkap van mijn oude Saab. Als ik die gore prut niet snel met lauwwarm water verwijder, droogt het in tot een mix van papier-maché en cement. Zelfs nummer 6 in de wasstraat haalt dan niets meer uit. Het leed is helemaal niet te overzien als je per ongeluk je auto onder een spreeuwenslaapboom parkeert,  of in de buurt van een vliegroute van reigers.

De gevolgen van vogelstront op autolak zijn wetenschappelijk vastgesteld: de verteringsenzymen in de uitwerpselen tasten de doorzichtige extra beschermlaag aan, waardoor de onderliggende lak dof wordt. Poepjes met pitjes, van zaadeters, zijn schadelijker dan meeuwenflotsen. In Engeland becijferde verzekeraars dat vogelpoep jaarlijks 57 miljoen pond kost aan lakreparaties. Dat wil niemand, toch?

De vraag is: hoe voorkom je dat je auto bescheten wordt? De Britse tak van firma Halfords die poetsmiddelen en autoaccessoires verkoopt, deed daar afgelopen zomer een leuk onderzoek naar. Conclusie: koop geen rode auto. Waarom? Zij stelden in twee opeenvolgende dagen de aanwezigheid van vogelpoep vast op 1140 auto’s in vijf steden in het Verenigd Koninkrijk, en relateerden de resultaten aan de kleur van het koetswerk. Groene auto’s werden het minst bevuild, rode het meest. De meest voorkomende autokleuren, zwart en zilver, ontvingen een gemiddeld aantal vogelpoepjes.

Grappig natuurlijk, maar de resultaten zeggen meer over waar de auto’s geparkeerd stonden dan over gericht poepen op rode auto’s. Vogels kunnen uitstekend kleuren zien. Ze gebruiken dat vermogen om voedsel te vinden, gevaar te ontdekken, concurrenten af te schrikken en een partner te selecteren – niet om autootje te pesten.

Toch hebben rode auto’s een bijzondere aantrekkingskracht. Waterinsecten, zoals haften, wantsen en waterkevers, blijken in de periode dat ze vliegen massaal op rode autodaken te landen. Rode autolak en gladde wateroppervlakten polariseren het licht namelijk op exact dezelfde manier. De insecten zien rode auto’s dus aan voor water. De gevolgen zijn desastreus: zowel de insecten als de eieren die ze leggen drogen uit op het hete autodak. De autobezitter blijft ook niet schadevrij, want bij hoge temperaturen produceren insecteneieren zwavelzuur. Dat brandt lekker in de lak, meer nog dan vogelpoep.

Bronnen

‘Bright red cars attract more bird droppings than vehicles of any other colour, according research from Halfords.’ Press Release, 19 June 2012. (www.halfordspressoffice.com)

György Kriska, Zoltán Csabai, Pál Boda, Péter Malik & Gábor Horváth, 2006 – Why do red and dark-coloured cars lure aquatic insects? The attraction of water insects to car paintwork explained by reflection–polarization signals – Proceedings of the The Royal Society B 273: 1667-1671 doi: 10.1098/rspb.2006.3500

Nilsson A.N., 1997 – On flying Hydroporus and the attraction of H. incognitus to red car roofs – Latissimus 9: 12–16

van Vondel B.J, 1998 Another case of water beetles landing on a red car roof. Latissimus 10: 29

Stevani C.V, Faria D.L.A, Porto J.S, Trindade D.J, Bechara E.J.H, 2000 – Mechanism of automotive clearcoat damage by dragonfly eggs investigated by surface enhanced Raman scattering – Polym. Degrad. Stab. 68: 61–66. doi:10.1016/S0141-3910(99)00165-2

Vliegveiligheid

In 2011 was ik elke maand  één keer ‘columnist van de week’ bij Vroege Vogels op radio 1.  Zondag 4 december 2011 om 8.30 uur was de twaalfde (en laatste)  in de reeks ‘Uit de Koker van Kees’ te beluisteren. Dit is de uitgeschreven tekst:

Op een mooie avond in oktober van dit jaar vond in de lucht boven Hilversum een botsing plaats tussen een meeuw en een traumahelikopter. De kokmeeuw sloeg een gat in de cockpit en de helikopter moest een noodlanding maken in een weiland. Kennelijk was doorvliegen met een gat en een meeuw in de cockpit geen optie. Dankzij omstanders kon de piloot de schade provisorisch met plakband repareren en zijn vlucht vervolgen. Opmerkelijk detail: het enige slachtoffer van dit ongeluk – de kokmeeuw – werd achtergelaten. Een foto van de plakbandplakkende traumahelikopterpiloot stond de volgende morgen op de voorpagina van De Telegraaf. Over het lot van de meeuw werd niet gerept. Gelukkig zorgden twee Gooise natuurvrienden, Pieter Schut en André van Soest, ervoor dat de dode meeuw niet anoniem tot ontbinding over zou gaan. Ze speurden het kadaver op en schonken het aan Het Natuurhistorisch. Daar is de traumameeuw nu een museumstuk, het eerste luchtvaartslachtoffer dat prachtig past in de serie dramatische vogeldoden die het Rotterdamse museum rijk is.

De traumameeuw is natuurlijk maar één van de vele slachtoffers van botsingen tussen vogels en vliegverkeer. In de Verenigde Staten houdt de Federal Aviation Administration sinds 1990 een database bij, en de teller staat nu op 129.597 goed gedocumenteerde doden. U vergist zich als u denkt dat dit allemaal vogels zijn. De lijst vermeldt 24 gordeldieren, twee bevers, 114 schildpadden, acht leguanen, 369 coyotes, 1019 herten, vier paarden en een varken. Ik neem aan dat deze slachtoffers geen laagvliegers waren, maar niet uitkeken bij het oversteken van de start- of landingsbaan. De Amerikaanse vliegtuigvogeldodenlijst telt overigens 415 soorten, waaronder zelfs kolibries en grasparkieten. Meeuwen, ganzen en roofvogels vormen de hoofdmoot.

Het mag duidelijk zijn dat deze botsingen in de lucht de vliegveiligheid in gevaar brengen – let wel: men heeft het hierbij altijd over de vliegveiligheid voor de mens. Dat is ook de strekking van het deze week verschenen rapport van de Onderzoeksraad voor Veiligheid over de hachelijke noodlanding van een Marokkaans passagiersvliegtuig na een botsing met een groep Canadese ganzen boven onze nationale luchthaven. De aanbeveling van de Onderzoeksraad aan de Minister van Infrastructuur en Milieu luidt dan ook ‘ … de populatie van diverse ganzensoorten in Nederland te reduceren tot [ ... ] een bepaalde omvang en zo het risico van vogelaanvaringen te beperken.’

Deze aanbeveling gaat voorbij aan het feit dat vogels letterlijk vogelvrij zijn. Ze kunnen en zullen vliegen waar zij willen. Als alle Schipholganzen tot kroketten verwerkt zijn, blijft het luchtruim bevolkt met kieviten, kraaien, meeuwen en andere gevleugelde vrienden. Wij hebben daartussen eigenlijk niets te zoeken. In de aardse biosfeer is het water voor de vissen en de lucht voor de vogels. Viervoeters en de enkele diersoort die op zijn achterpoten is gaan lopen, kunnen maar beter op het land blijven.

Bronnen:

Richard A. Dolbeer, Sandra E. Wright, John R. Weller & Michael J. Begier, 2011 – Wildlife Strikes to Civil Aircraft in the United States, 1990–2009 – Federal Aviaton Adminstration, National Wildlife Strike Database Serial Report Number 16

Onderzoeksraad voor Veiligheid, 2011 – Noodlanding na vogelaanvaring, Boeing 737-4B6, Amsterdam Schiphol Airpport, 6 juni 2011. p 1-138

Het spechtenhoofd

Elke maand ben ik één keer ‘columnist van de week’ bij Vroege Vogels op radio 1.  Zondag 6 november 2011 om 8.30 uur was de elfde  in de reeks ‘Uit de Koker van Kees’ te beluisteren. Dit is de uitgeschreven tekst:

Een prangende vraag die zowel vogelkenners als artsen al tientallen jaren bezig houdt, is ‘Krijgen spechten geen hoofdpijn?’. U kent de specht natuurlijk ook als die vrolijk lachende herriemaker die met zijn snavel tegen bomen hamert om er (1) vervolgens kleine beestjes uit te peuren en op te eten, (2) met het verdragende geroffel een partner te werven en er zijn territorium mee af te bakenen, en (3) er uiteindelijk ook een nesthol in uit te hakken. Veel meer facetten kent het spechtenleven niet: de specht hamert. Ruim dertig jaar geleden becijferde de Amerikaanse arts Philip May hoe vaak en hoe snel: 35 tot 44 tikken in roffels die 2,1 tot 2,7 seconden duren, en dat 500 tot 600 keer per dag. Bij elke tik weerstaat het spechtenhoofd een vertragingskracht van 1200 g. Om dat na te bootsen zouden wij met een snelheid van 25 kilometer per uur met ons hoofd tegen een muur moeten beuken, en dat 500 keer achter elkaar. Geloof me, na drie, vier keer head-bangen zijn we knock-out. Het is dus een wonder dat onze bossen en parken niet bezaaid liggen met bewusteloze spechten.

Dat wonder is evolutie door natuurlijke selectie. Ooit kwam een vogel op het idee om met zijn snavel tegen hout te kloppen. Hij kreeg er geen hoofdpijn van en merkte dat hij voedsel en nestplaatsen aanboorde die onbereikbaar waren voor andere vogels. Langzaam evolueerden de spechten tot wat ze nu zijn: een succesvolle familie van ruim 200 soorten. Ze zijn heer en meester in hun domein, geen andere vogel doet het ze na want het spechtenhoofd kent een aantal unieke aanpassingen waardoor het schokken absorbeert. De belangrijkste zijn:

Een minimum aan hersenvocht, waardoor de hersenen stevig verpakt niet in de schedel heen en weer klotsen.

Ongelijkvormige boven- en ondersnavel waardoor de klopkrachten die de hersenen bereiken aanzienlijk verminderen.

Een uitzonderlijk lang tongbeen dat met twee elastische banden over het achterhoofd en het schedeldak de neusgaten bereikt. Het vormt een soort veiligheidsgordel die de schedel bij elkaar houdt en schokken opvangt.

Onbewust van deze kennis werden in de Middeleeuwen al helmen ontworpen met een prominente ‘snavel’, maar de biomimicry gaat verder. In 2007 presenteerde de Britse werktuigbouwkundige Julian Vincent zijn bijna bewegingsloze elektrische ‘spechtenhamer’ gebaseerd op de uitermate korte maar snelle slag van de spechtenkop. Chinese onderzoekers voorspelden kortgeleden een nieuwe aanpak van het minimaliseren van schedelhersenletsel bij mensen, ook voortbordurend op de biomechanica van de spechtenschedel.

Ondertussen hebben de spechten een probleem. In onze verstedelijkte wereld zien ze straatlantarens en regenpijpen voor bomen aan. Ze hameren lustig op het keiharde ijzer, maar ik denk niet dat het zo slim aangepaste spechtenhoofd daar tegen bestand is.

Bronnen

May, P.R.A., Newman, P., Fuster, J.M. & Hirschman, A., 1976 – Woodpeckers and head injury – The Lancet, February 28, 1976: 454-455

May, P.R.A., Newman, P., Fuster, J.M. & Hirschman, A., 1976 – Woodpeckers and head injury – The Lancet, June 19, 1976: 1347-1348

May, P.R.A., Fuster, J.M., Haber, J. & Hirschman, A., 1979 – Woodpecker Drilling Behaviour, An endorsement of the Rotational Theory of Impact Brain Injury – Archives of Neurlology 36: 370-373

Schwab, I.R., 2002 – Cure for a headache – British Journal of Opthalmology 86: 843

Vincent, J.F.V., Sahinkaya, M.N. & O’Shea, W, 2007 – A woodpecker hammer – Proceedings of the Institution of Mechanical Engineers, Part C: Journal of Mechanical Engineering Science 221 (10): 1141-1147 (special issue paper)

Wang L, Cheung JT-M, Pu F, Li D, Zhang M, et al., 2011 – Why Do Woodpeckers Resist Head Impact Injury: A Biomechanical Investigation – PLoS ONE 6(10): e26490. doi:10.1371/journal.pone.0026490

Eerst lachen, dan nadenken

In 2011 ben ik elke maand één keer ‘columnist van de week’ bij Vroege Vogels op radio 1.  Zondag 9 oktober om 8.30 uur was de tiende in de reeks ‘Uit de Koker van Kees’ te beluisteren. Dit is de uitgeschreven tekst:

Heeft u ook zo gelachen om de onderzoeken die kortgeleden met een Ig Nobelprijs beloond zijn? Gelukkig maar, want deze felbegeerde prijs legt de vrolijke kant van wetenschap bloot. Aan de andere kant zet het winnende onderzoek ook aan tot nadenken. Mijn absolute favoriet van dit jaar is de biologieprijs. Twee Australische insectenkenners ontdekten dat mannetjes van de prachtkever Julodimorpha bakewelli vrouwtjes van hun eigen soort links laten liggen en verwoedde pogingen doen om met een bepaald type bierfles te paren. Het glimmend bruine glas van de flesjes, leeggedronken en in de wegberm gegooid, vertoont sterke overeenkomst met de kleur van de vrouwtjeskever, en bovendien weerspiegelen de karakteristieke antislipbobbeltjes op de fles het licht op dezelfde manier als de putjes in de dekschilden van de kever. Dit in eerste instantie lachwekkende gedrag leidt ook tot nadenken. De pijnlijke vergissing van de kever toont namelijk aan dat milieuvervuiling directe invloed kan hebben op het voortplantingsgedrag van een diersoort. Daar waar de prachtkever zijn leefgebied deelt met de bierdrinkende mens kunnen de gevolgen voor de kever dramatisch zijn.

Een vergelijkbare vergissing heb ik voor u uit het Ig Nobelarchief gevist. In 2002 won de Engelsman Charles Paxton de biologieprijs voor zijn publicatie met de prachtige titel ‘Baltsgedrag van struisvogels ten opzichte van mensen op boerderijen in Groot-Brittannië’. De nieuwsgierige onderzoeker stelde vast dat op struisvogelfarms zowel mannetjes als vrouwtjes hun verzorgers het hof maken. Mannetjesstruisvogels vertonen daarbij het bekende kantelgedrag waarbij ze op hun hurken zakken, met de vleugels flapperen en de nek heen en weer wiegen. De opgewonden wijfjes namen in de nabijheid van mensen zelfs de uitnodigende paarpositie aan: voorover gebogen, met de vleugels naar voren en de klepperende snavel dicht bij de grond. Er zijn gelukkig geen kruisingen tussen mens en struisvogel uit voortgekomen, maar een opvallende conclusie is wel dat struisvogels die door de aanwezigheid van mensen seksueel opgewonden raken, beter fokken.

Seksuele interacties tussen mens en dier zijn van alle tijden maar daarbij gaat het initiatief uit van de mens. Andersom komt steeds vaker voor. Mensen maken er een gewoonte van het domein van dieren te betreden en ervaren de gevolgen aan den lijve. U kent vast de legendarische BBC-beelden van de niets vermoedende natuurfilmer die op zijn hoofd tot bloedens toe door een zeldzame Nieuw- Zeelandse papegaai wordt verkracht. Het zwemmen-met-dolfijnen is ook niet zonder risico’s, en er is zelfs een wetenschappelijk beschreven geval van een soepschildpad die een duiker doelgericht aanrandt.

Hoewel ik bij dit soort gevallen de lach niet kan onderdrukken, zetten ze mij ook aan het denken.

[Bronnen:]

Bowen, B.W. 2007 – Sexual Harassment By a Male Green Turtle (Chelonia mydas)Marine Turtle Newsletter 117: 10

Bubier, N.E., Paxton, C.G.M., Bowers, P. & Deeming, D.C., 1998 – Courtship behaviour of ostriches (Struthio camelus) towards humans under farming conditions in Britain British Poultry Science 39: 477-481

Gwynne, D.T. & Rentz, D.C.F., 1983 – Beetles on the Bottle: Male Buprestids Mistake Stubbies for Females (Coleoptera)Journal of the Australian Entomological Society 22: 79-80

Shagged by a rare parrot – Last Chance To See – BBC Two’ [YouTube video, 29 september 2009]

Natuurhistorie en stadsnatuur

In 2011 ben ik elke maand één keer ‘columnist van de week’ bij Vroege Vogels op radio 1. Zondag 11 september om 8.30 uur was de negende in de reeks ‘Uit de Koker van Kees’ te beluisteren. Het volledige programma werd uitgezonden vanuit het Natuurhitorisch Museum Rotterdam. Het was een thuiswedstrijd voor mij. Dit is de uitgeschreven tekst:

Nu ik vanuit Het Natuurhistorisch – al ruim 20 jaar mijn werkplek – deze column mag uitspreken, vertel ik u graag hoe wij hier in het museum de natuur verzamelen, bestuderen en in kaart brengen. Vroeger, ver voor mijn tijd, ging dat uitsluitend met vallen, netten en de luchtbuks. Mijn voorgangers lieten links en rechts wat vogels schieten, trokken planten uit de grond, gingen met het vlindernet naar buiten, pielden landslakjes uit boomschors en verrijkten zo de museumcollectie. Bijna alles wat we nu weten over de flora en fauna van Rotterdam vantoen, staat opgeprikt, opgezet, opgeplakt of opgepot in het museum. De collectie is een rijke bron van natuurinformatie uit de tijd dat waarneming.nl nog Science Fiction was.

Tegenwoordig zorgen de natuurbeschermingswetten ervoor dat het museum gerichter en vooral passiever verzamelt. Dat komt er meestal op neer dat ik wacht tot zich iets tegen het raam doodvliegt. Een ware cultuuromslag vond plaats in 1997 toen het museum samen met de Gemeente Rotterdam ‘bureau Stadsnatuur’ oprichtte. Het werd een heuse onderzoeksafdeling van het museum die de natuur van de Maasstad in kaart ging brengen voor stadsbewoners, bestuurders en later ook externe opdrachtgevers. Er werken jonge gedreven veldbiologen die, samen met de modder in hun profielzolen, een schat aan informatie over de stadsnatuur het museum binnen brengen. Eén nadeel: het zijn aaiers. Ze laten de beestjes die ze vangen weer los! Hoogtepunt was de ontdekking van eerste rivierrombout, een prachtige libel, die in 2003 na 100 jaar weer in Rotterdam gevangen werd. Het insect werd uitvoerig bevoeld, gefotografeerd en weer losgelaten! Onvergeeflijk voor de conservator die hem graag in de collectie had opgenomen.

Zonder gekheid: de hoeveelheid informatie die mijn gewaarde collega’s van bureau Stadsnatuur samen met een grote schare vrijwilligers verzamelen, is groot en waardevol. Rotterdam telt – om maar eens wat te noemen – 1090 soorten vlinders en motten, 159 soorten vliegen en muggen, 131 soorten mieren, wespen, hommels en bijen, 38 soorten libellen, 23 soorten sprinkhanen, 48 soorten vissen, 40 soorten zoogdieren, 335 soorten vogels, 11 soorten amfibieën en reptielen, 165 soorten mossen en 911 soorten wilde planten. Die hoge biodiversiteit (wees niet bang, ze zijn er niet allemaal tegelijk) dankt Rotterdam onder andere aan relatief veel en vooral grote parken en het havengebied met veel braakliggende terreinen.

De rijke Rotterdamse stadsnatuur is iets om te koesteren, maar verbeteren kan ook. Verbind groengebieden onderling, stop onmiddellijk met het voorturend maaien van die fijne onkruidveldjes en schaf de bloembakkennatuur af. En, alstublieft, laat weer gras in de Blunderput wortelen.

bronnen:

De Zwarte, Niels, 2010 – De hoogste tijd voor een Rotterdams ecologisch beleid – Straatgras 22(1): 17-18

De Zwarte, Niels, 2010 – De route naar een ecologisch beleid in Rotterdam - Straatgras 22(5): 104-106

Patatmeeuwen

In 2011 ben ik elke maand één keer ‘columnist van de week’ bij Vroege Vogels op radio 1. Zondag 7 augustus om 8.30 uur was de achtste in de reeks ‘Uit de Koker van Kees’ te beluisteren. Dit is de uitgeschreven tekst:

In Rotterdam, op het plein tussen de mega-boekhandel en een elektronicagigant staat de frietkraam van Bram Ladage, een begrip voor de liefhebber van gefrituurde, handgesneden patat. Rondom het uitgifteloket zijn houten vlonders aangelegd waar men comfortabel zittend de snack kan nuttigen. Nog voor koffietijd zit tout Rotterdam er al aan de patat-met, en dat gaat zo de hele dag door. Stadsvogels kennen die plek ook als voedselbron. Dat is de reden dat ik er kom. Ik nestel mij dan tussen de boodschappentassen en observeer mensen en vogels.

Spreeuwen zie ik er niet meer. Er lopen nog wat stadsduiven rond met hun misvormde pootjes en pokdalige snavels, maar de meeuwen zijn het talrijkst. Het zijn er momenteel een stuk of twintig van de soort zilvermeeuw – fiere, grote zeevogels die verse vis, schelp- en schaaldieren hebben verruild voor fast food en menselijk afval. Ze zijn nog in het bedelstadium: zo gauw een patateter zich neerzet, dribbelt de meeuw naderbij tot de voeten en kijkt indringend omhoog. Mijn observaties wijzen vervolgens op een driedeling in de maatschappij.

(1) De mens heeft slechts oog voor zijn zak patat en de meeuw ontgaat hem/haar volkomen.

(2) De mens kijkt vol afschuw naar de meeuw, noemt hem ‘tiefusvogel’ of iets van gelijke strekking en gebaart wild met zijn of haar armen en benen om hem weg te jagen. Het komt hierbij voor dat er patat gemorst wordt, waarna de meeuw gretig toehapt.

(3) De mens deelt zijn voedsel met de meeuw en voert hem tenminste een kwak mayonaise of een te klef of te hard gebakken frietje. Deze groep is de grootste en deelt vaak meer dan de helft van de puntzak met de aanwezige meeuwen.

Dankzij groep 3 ontbreekt de noodzaak voor de meeuwen om agressiever te werk te gaan. Er zijn echter talloze gevallen bekend waarbij meeuwen in volle vlucht en met uiterste precisie ijsjes en andere lekkernijen uit de handen van mensen roven. In Rotterdam heb ik dat nog niet gezien.

De patatmeeuwen zijn slim. Ze hebben hun natuurlijke leefomgeving – zee, strand en duin – permanent verruild voor de stad. Ze broeden op daken, foerageren op dezelfde plekken als de stadsmens en maken ook dankbaar gebruik van het afval dat mensen produceren. Vooral in steden waar men nog plastic vuilniszakken op straat zet, leidt dat tot overlast want meeuwen trekken de zakken open op zoek naar etensresten. Dat hoeft natuurlijk niet zover te komen.

Gemeenten met een meeuwenprobleem adviseer ik om eens met Bram Ladage of een andere patatkoning te gaan praten.

Happy Feet is niet gelukkig

In 2011 ben ik elke maand één keer columnist van de week bij Vroege Vogels op radio 1. Zondag 3 juli om 8.30 uur was de zevende in de reeks ‘Uit de Koker van Kees’ te beluisteren. Dit is de uitgeschreven tekst:

Heeft u het ook gehoord, van die arme pinguïn in Nieuw Zeeland? De keizerpinguïn (Aptenodytes forsteri), de grootste van de zeventien pinguïnsoorten, is 20 juni levend aangespoeld op een strand nabij de hoofdstad Wellington. Buiten Antarctica is de soort zeer zeldzaam. Noordelijker dan zestig graden zuiderbreedte worden ze zelden gezien. Soms verschijnt er een op het zuidelijkste puntje van Zuid-Amerika en de noordelijkste waarnemingen betreffen drie exemplaren op zee halverwege Argentinië en een eenling die op 5 april 1967 in het uiterste zuiden van Nieuw Zeeland strandde. Ook de vogel die vorige week bij Wellington opdook, heeft de recordafstand van ruim 3000 kilometer zwemmend afgelegd, want u weet – pinguïns kunnen niet vliegen. De keizerpinguïn zwemt met een gemiddelde snelheid van tien kilometer per uur. Dat betekent dus twaalf tot dertien dagen non-stop zwemmen in een rechte lijn van Antarctica naar het strand waar hij aan land stapte. Een hele prestatie. De locale bevolking en de media behandelen de vogel niet voor niets als troeteldier.

De pinguïn, inmiddels Happy Feet genoemd, naar de pinguïnfilm uit 2006, stond vorige week nog monter op het strand. De hoop bestond dat hij weer in zee zou verdwijnen, maar helaas, zijn gezondheid verslechterde snel. Toen werd waargenomen dat hij zand en takjes begon te eten, greep de in de haast opgerichte pinguïncommissie in. Happy Feet werd in een koelwagen overgebracht naar de dierentuin van Wellington. Daar constateerde men uitdroging en werd er ruim drie kilo zand uit zijn maag gepompt. De ingreep werd verricht door een team van specialisten, waaronder de vooraanstaande maag-darm-leverarts John Wyeth. De dierentuin, die de kosten van de behandeling en verpleging in een speciaal gekoelde ruimte voorlopig begroot op 10.000 dollar, zorgt ervoor dat het publiek het allemaal ter plaatse en online live kan volgen. Inmiddels is er ook een inzamelingsactie begonnen: Help Happy Feet. De mens handelt in dit soort situaties sentimenteel. Een op het zelfde strand aangespoelde naar adem happende diepzeevis, was aan zijn lot overgelaten. Een charismatische en aaibare pinguïn wordt ‘gered’.

Toch is deze 10 maanden oude keizerpinguïn een loser, een kneus gedoemd tot een vroegtijdige dood. De vogel is niet voor niets verdwaald en in een vijandig warm klimaat ver van zijn soortgenoten terecht gekomen. De kans dat hij of zij zich ooit buikschuivend over het pakijs zal verplaatsen, op weg naar een broedplaats, is nihil. En dat is niet erg. Vogels raken doorlopend gedesoriënteerd, trekken de verkeerde kant op om eenzaam weg te kwijnen. Dat is uiteindelijk ook het lot van deze keizerpinguïn, zelfs nu hij Happy Feet heet en mensen zich liefdevol over hem bekommeren.

bronnen:

Henderson, L.E. (1968) – First record of the Emperor Penguin in New Zealand – Notornis 15: 34-35

uitgebreide berichtgeving over Happy Feet op www.nzherald.co.nz

 

BONUS: De eerste waarneming van de keizerpinguïn in Nieuw Zeeland

De eerste keer dat er een keizerpinguïn werd waargenomen in Nieuw Zeeland was op 5 april 1967 aan de zuidkust van South Island, op Oreti Beach nabij Invercargill. Het verslag daarvan werd gepubliceerd in 1968 in het tijdschrift van de Ornithological Society of New Zealand, Notornis 15: 34-35. Hieruit blijkt dat het net als bij de vogel die nu in het nieuws is, om een onvolwassen exemplaar gaat. Om onheil  (vandalisme, honden en zandstralen) te voorkomen, werd de pinguïn de volgende morgen naar een veilige plaats gebracht, beschreven en opgemeten: ‘It was certainly in perfect condition with immaculate plumage.’ Verder bleek de vogel niet zo vriendelijk te zijn als doorgaans werd aangenomen: ‘ … Approach to 5 or 6 feet caused some agitation and sometimes the “interrupted Klaxon” call, while a closer approach still qualified for flippers raised and some very sharp raps.’ Het vervoer in een busje bezorgde de pinguïn enige stress, maar de vogel bleef alert en keek zelfs uit het raam: ‘Although it was distressed by the journey to Bluff, probably by the confinement and movement, it was still alert enough to find that it could see through the windows of the van and seemed to get some reassurance from this.’ De pinguïn werd een half uur varen uit Bluff in de Foveaux Straat in zee losgelaten: ‘When the bird surfaced from his dive off the launch we saw what a really happy Emperor penguin looks like. It splashed, preened, drank and dived with the greatest concentration, leaving one in no doubt as to his favourite element. There we left him.’

Van de eerste keizerpinguïn van Nieuw Zeeland werd nooit meer iets vernomen.